U bent hier

De erfenis van Karel De Grote 814- 2014

De erfenis van Karel De Grote 814- 2014
Oudst bewaarde, rijk versierde keizerskroon van Europa, midden 11e eeuw. Kopie Rothenburg. Kriminalmuseum, Rothenburg.

 

Op 28 januari 814 stierf Karel de Grote in zijn palts in Aken. We zijn nu 1.200 jaar later en de overlijdensdatum van deze markante historische figuur is in Europa niet onopgemerkt gebleven. Een mooi voorbeeld: Aken viert het Karlsjahr 2014 met drie tentoonstellingen die de machtscentra, kunst en verloren schatten uit de tijd van Karel met luister belichten. Ook het provinciebestuur Oost-Vlaanderen sluit zich aan bij de Europese herdenkingen. Op zijn initiatief en met zijn volle steun wordt in het Provinciaal Erfgoedcentrum in Ename een internationale, rondreizende tentoonstelling georganiseerd die een leemte vult. Terwijl andere evenementen de nadruk hoofdzakelijk leggen op Karel en zijn tijdvak, stelt dit initiatief De erfenis van Karel de Grote 814-2014 centraal. 

 

De invalshoek is niet vrijblijvend. De aandacht gaat naar de eeuwenlange worsteling in Europa om in de grote verscheidenheid van de Europese bevolking eenheid te brengen. Dit klinkt heel hedendaags. Maar achter de actualiteit van vandaag gaat een buitengewoon boeiend verhaal schuil dat leidt naar de erfenis van Karel de Grote.

 

Dit verhaal had nooit zo intens kunnen worden verteld zonder de inbreng van het EU- project Cradles of European Culture / Bakermatten van de Europese Cultuur, dat in het kader van het Culture 2007-2013 programma in 2010 is goedgekeurd. 29 instituten uit 9 Europese landen nemen er aan deel. Het opzet is na te gaan of erfgoed wel degelijk de nodige impact heeft om het actuele Europa beter te helpen begrijpen. 

 

Er is uitgegaan van de vrij onbekende geschiedenis van Francia Media, het Karolingische Middenrijk. Dit ontstond bij het verdrag van Verdun in 843 dat Karels eenheidsrijk verdeelde onder zijn drie kleinzonen, een verdeling die de verdere loop van de West-Europese geschiedenis zou bepalen: Francia Occidentalis werd later Frankrijk, Francia Orientalis werd Duitsland. En daartussenin lag Francia Media. Het was de belangrijkste transitzone die op het vlak van economie, technologie, communicatie en kunst de Noordzee met de Middellandse Zee verbond. Francia Media met zijn koninkrijken Lotharingen, Bourgondië en Italië en zijn as Aken-Rome wordt niet op zich beschouwd, maar in samenhang met aanpalende gebieden in Zuidoost-Europa (Kroatië en Slovenië) en gebieden in Centraal-Europa (Tsjechië en Slovakije). Op die wijze vormt dit geheel aan territoria als het ware een modelcasus voor een goed begrip van de Germaanse, Romaanse en Slavische diversiteit in Europa en de impact die dit had op latere pogingen van eenheidsstreven. 

 

Binnen het kader van het EU-project zijn gerenommeerde erfgoedsites uit negen Europese landen verweven in een netwerk dat zich uitstrekt van de Noordzee en Middellandse Zee tot in Centraal-Europa. De rondreizende tentoonstelling De Erfenis De erfenis van Karel de Grote 814-2014 van Karel de Grote 814-2014 is de vrucht van die samenwerking. Ze doorloopt 2.000 jaar geschiedenis: van het Imperium van Romeinen en Karel de Grote tot de opsplitsing van dit laatste grote eenheidsrijk, van de droom van Bourgondische hertogen, de veroveringsdrift van Napoleon, de wereldconflicten in de twintigste eeuw tot het nieuwe Europa van na 1945. De tentoonstelling confronteert met heimwee naar het Romeinse en Karolingische verleden, het gebruik en misbruik van het verleden, de macht van cultuur, de verdelende en verenigende krachten in Europa. Het is een reis naar de paleisgebouwen van Karel de Grote in Ingelheim en het prestigieuze Valkhof in Nijmegen. De bezoeker ontdekt Dorestad, de grootste handelsnederzetting in de vroegmiddeleeuwse Nederlanden, en trekt verder naar Velzeke, met zijn Romeinse vicus en zijn fiscus met imperiale bidplaats. In het markgrafelijke centrum van Ename vindt hij een uitzonderlijk goed bewaarde Ottoonse rijkskerk. Hij bewondert de benedictijnenabdij met haar verdedigingstoren in Montmajour en de kunststad Ravenna. Ten slotte reist hij door naar de grensgemeenschappen in Biskupija en Gradišče boven Bašelj met hun militaire en christelijke elites en laat hij zich verrassen door het kerkje in Kostol’any met zijn wondermooie muurschilderingen, de best bewaarde van heel Centraal-Europa. Zijn tocht stopt in de burcht van Praag, dat in de elfde eeuw uitgroeide tot het spirituele centrum van Bohemen. 

 

Uiteindelijk komt hij thuis in het Europa van vandaag en wordt het allerlaatste woord aan hem gelaten.

 

 

Jozef Dauwe

Gedeputeerde Cultuur Provincie Oost-Vlaanderen

 


 

Het Imperium Romanum

 

 

Een wereldrijk met visie

 

 

Het verhaal van eenheid-verscheidenheid start met het Romeinse keizerrijk dat ook lang nadat het verdwenen was, bleef inspireren tot in de twintigste eeuw. Bij het begin van onze jaartelling realiseerden de Romeinen over een oppervlakte van ca. 4.000.000 km², waarop momenteel een dertigtal Europese, Aziatische en Afrikaanse staten gevestigd zijn, een stabiele structuur rond de Middellandse Zee, die zij fier als Mare Nostrum, Onze Zee, omschreven. Een Europees-Afrikaans-Aziatische Unie avant la lettre. 

 

 

LOKALE AUTONOMIE EN EEN POLITIEK VAN INTEGRATIE

 

Essentieel was het toekennen van een vrij ruime lokale autonomie aan de 1.500 tot 2.000 kleinschalige gemeenschappen die de Romeinse wereld bevolkten. Dit liet het centrale bestuur toe zich in hoofdzaak te richten op de bescherming van de grenzen (met een leger van maximum 300.000 soldaten), de handhaving van de interne rechtsorde (het belang van o.a. rijkswegen) en de inning van financiële middelen (ca. 5.000 administratieve functionarissen). Politieke integratie werd gerealiseerd door de toekenning van het Romeinse burgerrecht en het betrekken van inheemse elites bij het rijksbestuur. En dat de mediterrane wereld tijdens de Romeinse keizertijd deel uitmaakte van een en dezelfde cultuur, kan iedere toerist zelf ervaren.

 

Lokale autonomie, geslaagde integratiepolitiek, ‘beperkte’ kerntaken van het centrale bestuur en een ‘beperkte’ administratie: het was een aanpak die eeuwenlang vruchten afwierp. Wat ons niet mag doen vergeten dat het Imperium ook het resultaat was van een aanvankelijk onversneden en vaak bloedige imperialistische politiek: oorlogvoering en de materiële ‘beloningen’ die daaruit voortvloeiden waren een constante in Romes buitenlands beleid. De triomftochten die in Rome eeuwenlang werden gehouden, zijn daar het symbool van. Die offensieve politiek maakte in de keizertijd geleidelijk aan plaats voor een politiek van veilige grenzen.

 

In de vierde eeuw werd het Imperium opgesplitst in twee delen: een Oosters Rijk (in meerderheid Griekssprekend) en een Westers Rijk (in meerderheid Latijnsprekend) met een eigen keizer en administratie. Latijn blijft de officiele wettelijke en militaire taal voor het Oosten tot in de zesde eeuw.

 

Na de val van het West-Romeinse Rijk bleef het Romeinse keizerschap verder leven in het Oost-Romeinse / Byzantijnse Rijk. Samen met de herinneringen aan de antieke grootsheid van het Imperium zal dit Byzantijnse Rijk een ‘levend’ model zijn voor de hernieuwde dromen van een Translatio / Renovatio Imperii Romani, de ambitie om de antieke cultuur opnieuw te laten herleven, tijdens de Karolingische en Ottoonse heerschappij.

 

 

CHRISTENDOM: DE NIEUWE GODSDIENST VAN HET RIJK

 

Hoewel het christendom natuurlijk van Joodse oorsprong is, was de vorm waarin het zich heeft geuit en verspreid in het Romeinse Rijk gekenmerkt door de Romeinse opvattingen over religie. Meer nog, nadat de cultus werd toegelaten onder Constantijn in het eerste kwart van de vierde eeuw en vooral nadat hij staatsgodsdienst geworden was op het einde van de vierde eeuw (onder Theodosius), werd de verspreiding van het christendom begunstigd door de complexe administratieve organisatie van het Rijk. Het christendom was vooral een stedelijk fenomeen en vestigde zich daarom eerst in hoofdplaatsen van provincies en steden; het platteland kwam later aan de beurt. Het was een officiële godsdienst, geleid door de keizer die, in zekere mate, zijn rol als pontifex maximus van de vroegere Romeinse godsdienst verder speelde. Concilies worden samengeroepen door de keizer, die het hoogste gezag had, ook wat de dogma’s betreft. De voornaamste verantwoordelijken van de nieuwe religie waren de bisschoppen, die voor het merendeel stamden uit dezelfde aristocratische senatoriale families die de kaders voor het Rijk leverden. Bij de inplanting van de eerste stedelijke kerken, meer bepaald de kathedralen, in het centrum van agglomeraties, werden de oude tempels gesloten en genoten de bouwers van aanzienlijke fiscale en juridische privilegies.

 

 

GERMAANSE INPUT: EUROPA KOMT IN BEELD

 

Vooral vanaf het midden van de derde eeuw was het Romeinse rijk het slachtoffer van interne politieke strubbelingen en een monetaire crisis. In dezelfde periode maakten plaatselijke roversbenden en Germaanse plunderaars het platteland onveilig en doorbraken de limes of rijksgrenzen aan de Rijn en Donau. De vele munt- en zilverschatten in Noord-Gallië zijn hiervan de archeologische weerspiegeling. De Romeinse autoriteiten reageerden krachtdadig, deels met succes. 

 

Doorheen de vierde en de vijfde eeuw integreerden grote groepen Germa- nen zich in het Romeinse Rijk. De cijfers mogen niet overdreven worden. In Engeland bij voorbeeld bedroeg de inwijking twintig procent van de totale bevolking en dat is het hoogste immigratiepercentage in Europa in die periode. In Italië en Iberië bedroeg het aandeel van migranten zelfs maar enkele percenten van de bevolking. De start van de integratie was het aantrekken van de zogenaamde foederati als hulptroepen om de rijksgrens te verdedigen. Deze integratie maakte hen sterk vertrouwd met de Romeinse levenswijze die zij voor een deel overnamen. De Germaanse aristocraten namen militaire en bestuurlijke functies in, zoals Stilicho (359-408), van Vandaalse oorsprong, die in de strijd tegen de Wisigoten een hoofdrol speelde. Uit hun materiële cultuur blijkt dat ze zich adapteerden aan de Romeinse hofcultuur. De juweelkunst en de kledij van de nieuwe aristocratie was sterk gericht op de Oost-Romeinse hofcultuur. Vorsten als Clovis namen functies op als consul bij de keizer, die er nog steeds was, namelijk in Constantinopel. Als functionarissen en leden van de elite werden de Germaanse aristocraten ook vrij snel christen. Het christendom was ‘fashionable’: als je tot de officiële elites wilde behoren, dus aanvaard wilde worden als ‘top’, moest je christen zijn. Het gevolg was dat de Germaanse aristocratie evenzeer investeerde in bisschoppelijke basilicakerken en baptisteria. In die tijd ontstond het onderscheid tussen de christelijke stadsbewoners (urbani) en de pre-christelijke plattelandsbewoners (pagani). 

 

Rond het jaar 500 was West-Europa zo verdeeld in Frankische, Wisigotische, Bourgondische en Ostrogotische koninkrijken, formeel onder leiding van de keizer in Constantinopel. Maar in vrij korte tijd slaagden de Franken erin vanuit het huidige Zuid-Nederland en België hun territorium uit te breiden tot de Middellandse Zee en legden ze daarmee de basis van het latere Karolingische rijk. Van dan af spreekt men van de Merovingische beschaving (zesde-zevende eeuw). De germanisering in taal en materiële cultuur drong sterk door in Noord-West- Europa. Eigennamen en toponiemen, die in belangrijke mate de Germaans-Romaanse taalgrens doorheen Europa weerspiegelen, zijn andere merkers van deze culturele beïnvloeding. Specifiek zelfs vindt het Nederlands zijn verre voorouder in de taal van de Franken. Toch overleefde de Romeinse cultuur op vele vlakken: de idee van staatsvorming bleef mutatis mutandis behouden, de administratie bleef in het Latijn, er werden nog steeds op tamelijk regelmatige wijze belastingen geïnd, en het wegennet is ongetwijfeld lange tijd onderhouden en intact gebleven. Anderzijds is de nieuwe Frankische staatsvorming regelmatig een labiele constructie gebleken, niet in het minst ondermijnd door het Germaanse recht waarbij de gronden onder de zonen moest worden verdeeld. Algemeen kunnen we stellen dat men in de Merovingische periode zichzelf zag als zij die het Romeinse Rijk verderzetten. De Germaanse invloed is dus zeker niet negatief te beschouwen en het is vermoedelijk eerder de intrinsieke structurele zwakte van het klassieke Romeinse Rijk die voor de vroegmiddeleeuwse evolutie had gezorgd, veeleer dan verwoestende invallen, zoals men vroeger meende. Interessant is dat Europa ondanks de verbrokkeling niet kleiner werd, en een idee van eenheid absoluut bleef leven.

 


 

Karel de Grote

 

Erflater van Europa

 

 

Wie Karel de Grote zegt, denkt aan een soort van superman die er in slaagde om een enorm rijk uit te bouwen dat zich uitstrekte van het Nauw van Calais en de Bretonse rivier de Vilaine tot Triëste en Brindisi en van de Elbe tot Barcelona. Oorlogen en veroveringen speelden natuurlijk een belangrijke rol tijdens zijn regeringsperiode, maar eigenlijk zette hij verder – of maakte hij af – wat zijn vader Pepijn III de Korte en zijn grootvader Karel Martel hadden gedaan. Ook kregen de militaire campagnes vanaf de jaren 780 een duidelijker religieuze dimensie. De substantiële uitbreiding van het grondgebied hield in dat volkeren met eigen wetten en eigen gebruiken in het grote Frankische Rijk waren opgenomen. Voor de koning/keizer was het nu zaak om aan deze verscheidenheid een zo groot mogelijke maatschappelijke cohesie te geven. Religie was hierin een belangrijk element, ook natuurlijk omdat de koning gezalfd was.

 

 

EENHEID IN VERSCHEIDENHEID?

 

Vooral het paleis in Aken vormde uiteindelijk het centrum van de nieuwe politieke en religieuze eenheid. Op vlak van wetgeving en recht deed Karel de Grote inspanningen om een performant netwerk uit te bouwen, onder meer door het optreden van de vorstelijke gezanten en het landelijk afleggen van een eed van trouw. De waarde die werd toegekend aan het onderwijs reflecteert de waarde die men hechtte aan het correct gebruikte woord. Zonder overdrijven mag men stellen dat in de zogenoemde Karolingische renaissance de ‘glorie van het boek’ centraal stond. Anderzijds bleef Karel de Grote in zijn eenheidsstreven ook oog hebben voor plaatselijke gebruiken. In grote lijnen bleef het bestuur heen en weer schuiven tussen een vorm van centraal en van gewestelijk bestuur. 

 

Door het Frankische ‘burgerschap’ te laten samenvallen met het christen-zijn werd er een universeel gedachtegoed binnengebracht dat zowel een religieuze als een politieke dimensie bezat. Karel de Grote heeft in zijn pogingen om het rijk een eenheid te geven toch altijd plaats gelaten voor de verscheidenheid. Bekijkt men deze ontwikkeling van op een afstand, dan verschijnt dit Karolingische rijk als een universalistisch-particularistisch conglomeraat. En precies deze kwaliteit heeft er voor gezorgd dat de latere natie-ontwikkeling landen heeft voortgebracht die weliswaar een eigen weg gingen maar steeds telgen bleven van een gemeenschappelijke stam.

 

Kennis en macht waren onderling sterk verbonden. Terecht kan men stellen dat uit politieke overwegingen, die gevoed zijn door een spirituele bekommernis, de intellectuele heropleving in het Westen op het einde van de achtste eeuw geboren is. Deze idee en het samenvallen van een particularistisch keizerschap met een universeel gedachtegoed toont hoe het Karolingische keizerrijk, het Romeinse Rijk overstijgend, de beloften in zich droeg van de verdere politieke ontwikkeling in Europa.

 

 

WEST-EUROPA VERDEELD

 

Hoe belangrijk het rijk van Karel de Grote ook was, het kende slechts een kort bestaan. De ontbinding begon al onder zijn zoon Lodewijk de Vrome en kreeg een eerste concrete gedaante in het Verdrag van Verdun in 843. Volgens het principe van de rijksdeling onder de erfgenamen, verdeelde men toen de grootse constructie van Karel in drie delen. De scheidingslijnen tussen de erfgebieden liepen van noord naar zuid. Dat van de oudste zoon Lotharius (+855), Francia Media genaamd, reikte van Friesland via het Frankische kerngebied rond Maas, Rijn en Moezel over een deel van Bourgondië tot in Italië. De ‘oude’ en de ‘nieuwe’ imperiale steden Rome en Aken en het prestige van de keizerskroon waren zijn deel. Ten westen hiervan regeerde Karel de Kale (+877) over West-Frankenland met daarbij Bretagne en Baskenland. Aan de oostzijde kwam Oost-Frankenland in handen van Lodewijk de Duitser (+876). Hiermee was het einde van het Frankische eenheidsrijk ingezet. Het verdwijnen van het oude kerngebied als centrale macht is in dit geval bijna symbolisch te noemen. De verdeling van West-Europa in afzonderlijke rijken was een feit. De historische draagwijdte hiervan is immens. Vooreerst op een algemeen cultureel vlak. Het valt op dat de verdelingslijnen van de drie erfenissen niet meer georiënteerd zijn op het Middellandse Zeegebied, eeuwenlang het culturele centrum van Europa. De grenzen liepen van noord naar zuid, parallel met de as Aken-Rome. Ondanks het feit dat deze laatste als keizerlijke ‘kroningsstad’ en als zetel van Petrus’ opvolgers, een groot prestige bleef behouden, is het toch zo dat de belangrijke centra van de latere Ottoonse en Romaanse beschaving zich zullen situeren in het noorden van de twee gebieden die langs die nieuwe as tegen elkaar aanleunden. Het vervreemdingsproces tegenover de mediterrane beschaving dat in feite begon op het einde van de vijfde eeuw, werd in Verdun als het ware geïnstitutionaliseerd. 

 

Vervolgens zijn er de politieke consequenties. Met het Verdrag van Verdun werd een verdelende beweging in gang gezet die duurzaam zou blijken. Voor wat West-Europa betreft, behoorden de eenheidsstaten zoals het West-Romeinse Imperium en het rijk van Karel de Grote tot het verleden. In de plaats daarvan kwam, grotendeels op het stramien van Verdun, een staatkundige verbrokkeling die op termijn zou leiden tot de vorming van een aantal nationale staten. We houden halt bij gebieden die een bijzondere betekenis hebben voor het verhaal van Karels erfenis.

 

 

1 LOTHARINGEN: HET OUDE KERNLAND

 

Geografisch wordt het territorium afgelijnd door de Noordzee, Rijn, Maas en Schelde. Hier lag het stamland van de Karolingers. Het was ook het kernland van hun macht waar de grote fisci en natuurlijk Aken lagen. Hier bevond zich het Sacrum Palatium van Karel de Grote en werden er tot in de vijftiende eeuw Duitse heersers tot koning gekroond. 

 

Lotharingen ontstond toen keizer Lotharius, die Francia Media als erfdeel kreeg, stierf in 855. Zijn erfenis werd verkaveld onder zijn drie zoons: Lotharius II (+869) kreeg het deel dat liep van Zwitserland tot en met Friesland (Lotharingen genoemd), Lodewijk II (+875) ontving Italië en ten slotte gingen de keizerstitel en Bourgondië (Lyon-Provence) naar Karel (+863). De ‘onafhankelijkheid’ van Lotharingen verdween toen Ottoonse heersers rond 923-925 het gebied bij hun Oost-Frankische rijk voegden. De Rijn verloor toen zijn betekenis van rijksgrens. De Schelde daarentegen zou enkele decennia later evolueren tot een ware militaire grens die met drie markgrafelijke centra de westgrens van het Ottoonse rijk moest verdedigen tegen WestFrancië. Bleef het Romeinse wegennet langer in functie dan tot nu toe was aangenomen, dan zouden rivieren zoals Rijn, Maas en Schelde tijdens de vroege middeleeuwen steeds belangrijker worden voor transport en economische ontwikkeling.

 

In het oude kernland Lotharingen liggen vijf erfgoedsites van het EU-project Bakkermatten van de Europese Cultuur: Dorestad in Friesland, Ingelheim, het Valkhof in Nijmegen, Velzeke en Ename.

 

Dorestad aan de Kromme Rijn groeide in de zevende eeuw uit tot de grootste stedelijke nederzetting van de Nederlanden. Grootschalige opgravingen legden ongeveer 50 hectaren van het areaal vrij. De site lag in het omstreden grensgebied tussen de Friezen en de Franken. In 695 wonnen de Franken, onder leiding van Pepijn de Korte, de ‘slag bij het castrum Dorestad’ en werd Dorestad deel van zijn rijk. Tijdens de relatieve rust van de Karolingische tijd beleefde de plaats haar grootste bloei. Vooral de keizers Karel de Grote, Lodewijk de Vrome, Karel de Kale en Lotharius I hebben Dorestad bevoordeeld. Het is aan hun politieke en militaire ingrijpen te danken dat Dorestad in de eerste decennia van de negende eeuw beschermd bleef tegen de groeiende terreur van de Vikingen. Dorestad was eigenlijk één grote haven: over bijna de hele lengte van de stad die ca. 3 kilometer bedroeg, konden schepen aanmeren. Op de markt kwamen: pelzen, textiel, verfstoffen, zout, specerijen, voedsel, honing, luxestoffen, manuscripten, jachthonden, slaven en Frankische wapens. Niet enkel de terreur van de Vikingen, maar ook de verzanding van de haven, een gebrek aan investeringen en de opkomst van nieuwe centra zouden na 863 de ondergang van Dorestad inluiden.

 

Ingelheim ligt op de linkeroever van de Bovenrijn, in een warm en vruchtbaar deel van Duitsland. Op een helling die uitkijkt op de Rijn bouwde Karel de Grote een paleis dat dienst deed als een belangrijke tijdelijke residentie en regeringszetel. Het gaat om een U-vormig geheel met een indrukwekkende aula regia, een koninklijke hal, waarvan nog belangrijke bouwdelen recht staan. Het complex refereert aan de Romeinse villa en paleisarchitectuur en is dan ook een mooi voorbeeld van de Karolingische Renovatio Imperii Romani-gedachte. In Ingelheim stierf Lodewijk de Vrome, de zoon van Karel de Grote, in 840. Voor de Ottoonse keizers was het paleiscomplex van Karel de Grote een favoriete locatie. Onder hun beheer werden gebouwen vernieuwd en uitgebreid. Tijdens de vroege middeleeuwen vonden in Ingelheim talrijke belangrijke gebeurtenissen plaats zoals het proces tegen Tassilo III, hertog van Beieren. Het huwelijk van koning Hendrik III met Agnes van Aquitanië in 1043 vormde een laatste hoogtepunt, vooraleer het landelijk centrum Ingelheim uiteindelijk zijn betekenis verloor aan de naburige bisschoppelijke residenties en de opkomende steden Mainz, Worms en Speyer. Men bleef zich bewust van het historisch belang van het paleis en dus werden er uitgebreide opgravingen uitgevoerd van 1909 tot 1914 en in de jaren 1960 en 1970. In 1993 volgde een nieuw onderzoeksproject van de Kaiserpfalz Ingelheim Forschungsstelle.

 

Het Valkhof, een strategisch gelegen heuvel in een bocht van de rivier de Waal, is al meer dan tweeduizend jaar in gebruik. Achtereenvolgens lagen er een Romeins-Bataafse stad en een laat-Romeins castellum. Daarbinnen stichtten Frankische vorsten een kerk en bouwde Karel de Grote een palts. Na verwoesting door Noormannen herbouwden de Ottoonse keizers de palts. Keizerin Theophanu, die een speciale voorliefde voor Nijmegen koesterde, stierf hier in 991. In 1047 werd de palts opnieuw verwoest door Lotharingers. Frederik Barbarossa herstelde het Valkhof, ‘de burcht van Julius Caesar’, zoals hij in een gedenksteen liet graveren. Zijn zoon Hendrik VI werd op de hernieuwde burcht geboren. Toen de provincie Gelderland het Valkhof in 1796 liet slopen, bleven de Sint-Nicolaaskapel en de Sint-Maartenskapel gespaard vanwege hun vermeende Romeinse oorsprong. Vele vorsten bezochten en bewoonden het Valkhof. Zij vestigden zich niet alleen op het Valkhof omwille van zijn strategische ligging, maar zij identificeerden zich veeleer met hun roemrijke voorgangers en legitimeerden zo hun politieke macht.

 

In Velzeke brachten de opgravingen van de voorbije dertig jaar een belangrijke Romeinse agglomeratie of vicus van meer dan twintig hectaren aan het licht. In de eerste en tweede eeuw had deze bloeiende marktplaats met houten en stenen gebouwen en twee tempels zijn voorspoed te danken aan de vruchtbare omliggende gronden en zijn strategische ligging. Daarom ook hadden de Romeinse autoriteiten een officiële baanpost of statio laten inrichten op dit kruispunt van wegen tussen Boulogne en Keulen enerzijds en de noordelijke Rijngrens en het Middellandse Zeegebied anderzijds. In de jaren 265-268, wellicht door de groeiende onveiligheid, geraakte de streek ontvolkt en werd de vicus verlaten. Een Merovingische begraafplaats bewijst dat minstens vanaf de zesde eeuw Frankische inwijkelingen er hun plaats vonden. Met haar herinnering aan een rijk Romeins verleden groeide Velzeke opnieuw uit tot een religieus en administratief centrum van een fiscus in de Karolingische en Ottoonse periode. Een belangrijk getuige is de SintMartinuskerk die rond het midden van de tiende eeuw werd opgericht en waarvan nog belangrijke bouwdelen rechtstaan die refereren aan Ottoonse rijkskerken. Deze kerk met imperiale grandeur was in het bezit van de graven van Ardennen-Verdun die over Ename heersten. Herman van Verdun, de zoon van de stamvader Godfried, moet een nauwe band met Velzeke hebben gehad, want hij liet er in de kerk zijn twee vroegtijdig gestorven kinderen begraven. 

 

Ename ligt op de rechteroever van de Schelde, de westgrens van het Ottoonse Rijk. Met steun van de Ottoonse keizer groeide de plaats in de tweede helft van de tiende eeuw uit tot een versterkt residentieel en economisch centrum van een markgraafschap. Het werd beheerd door topadel: Godfried van Verdun, die getrouwd was met Mathilde van Billung. Hun zoon, Herman van Verdun, voltooide het werk. Hij zorgde ervoor dat de plaats rond het jaar 1000 een stenen bolwerk werd dat met zijn donjon, aula, drie kerken en haven een belangrijk steunpunt werd in de grensverdediging van de Schelde. Eén monument bleef overeind: de Sint-Laurentiuskerk, gelegen in het dorpscentrum. Het gaat om een dubbelkorige kerk waarvan het oostelijke koor twee altaarverdiepingen heeft. Blindbogen versieren binnen- en buitenwand. Van uitzonderlijke waarde is een Majestas Domini in frescotechniek uitgevoerd. De schildering dateert uit het eerste kwart van de elfde eeuw en is in een door Byzantium geïnspireerde vormentaal uitgevoerd. De iconologische studie maakt duidelijk dat Herman van Verdun een bouwschema ontwikkelde dat refereert aan de ideologie van de keizer, waardoor de kerk meteen een blijvend merkteken van keizerstrouw werd.

 

 

2 RAVENNA EN DE OTTONEN

 

Italië speelde een belangrijke rol in de geschiedenis van Otto de Grote en zijn vrouw Adelaïde, Otto II en zijn Byzantijnse vrouw Theophanu, en in de korte, maar fascinerende geschiedenis van hun zoon Otto III. Naast Rome, de hoofdstad van het christendom en de geboorteplaats van de keizerlijke gedachte, en Pavia, de werkelijke hoofdstad van het koninkrijk Italië, waren Ravenna en Milaan de brandpunten van het keizerrijk. De Byzantijnse cultuur was een belangrijke inspiratiebron. Een prachtvoorbeeld biedt het huwelijkscontract van de Byzantijnse prinses Theophanu met Otto II. De beeldende kunsten kregen ook een sterke impuls vanuit de kringen rond de keizers. Voorbeelden zijn het kostbare paneel dat de familie van Otto II voorstelt, de stucfiguren die de ciborie van de Basilica van Sant’Ambrogio in Milaan versieren en de waterputrand in de kerk van Sint-Bartholomeus op het Tiber-eiland, het enige overblijvende bewijs van de droom van Otto III om van Rome opnieuw de hoofdstad van het keizerrijk te maken. 

 

 

3 ROME EN EUROPA, CA. 1000: DE WEDERGEBOORTE VAN DE OUDHEID

 

Dankzij Karel de Grote en de keizers van de Ottoonse dynastie herwon Rome een centrale rol in de Europese verbeelding en politiek. Het was de belangrijkste stad van het Latijns christendom, de zetel van het pausdom en de rustplaats voor de relieken van de eerste martelaren. Het keizerlijke verleden van Rome creëerde een krachtig suggestief beeld en er werden pogingen ondernomen om dit te herscheppen door antieke artefacten uit de stad weg te halen of door de voorwerpen, monumenten en iconografieën te imiteren die met de eeuwige stad werden vereenzelvigd.

 

De hele originele Ottoonse artistieke productie werd gekenmerkt door een verstrengeling van keizerlijke Romeinse, Byzantijnse en Karolingische invloeden en toonde in talloze allusies verschillende lagen van realiteit en symbolische referenties. Betekenissen en typische eigenaardigheden van de oudheid herleefden: het politiek gebruik, de verschuiving van hergebruik naar imitatie, de co-existentie van de klassieke en christelijke iconografie, de gewoonte om fragmenten samen te brengen die uit verschillende tijdperken en contexten stammen, enzovoort.

 

 

4 CENTRAAL-EUROPA: EEN ‘NIEUW’ TERRITORIUM

 

Centraal-Europa is een ‘Nieuw Gebied’ dat nu het oosten van Duitsland, Bohemen, Oostenrijk, Slovenië, Slovakije, Hongarije en Kroatië omvat. Belangrijke handelsroutes doorkruisten het gebied, dat zelf een bron was van grondstoffen en slaven. 

 

In de negende eeuw waren Francia en later het Oost-Frankische keizerrijk van de Baltische tot de Adriatische Zee begrensd door een strook met Slavische stammen, die zich geleidelijk aan bekeerden tot het christendom en afhankelijk werden van het Frankische keizerrijk. Bestuursvormen werden overgenomen, net als het christelijk geloof, de westerse cultuur, kunst en nieuwe technologieën (net zoals bij de integratie in de EU).

 

De integratie van Centraal-Europa in de politieke, religieuze en culturele invloedssfeer van het toenmalige Europa verliep op een gelijkaardige manier voor de meeste Slavische stammen, maar niet terzelfder tijd. De eerste stap was de militaire onderwerping, die hoofdzakelijk reeds onder Karel de Grote was gebeurd. Die maakte de tweede stap mogelijk: christelijke missies en de vrije verspreiding van het christendom. Een aspect daarvan was de benoeming van gouverneurs, de markgraven van die gebieden, die hoogstwaarschijnlijk verantwoordelijk waren voor de communicatie en de bescherming van de christelijke missionarissen en de bekeerlingen.

 

In 843 bevestigde het Verdrag van Verdun de aanhechting van de centrale Europese gebieden bij het Oost-Frankische rijk van Lodewijk de Duitser. Maar de culturele invloeden vanuit Francia Media hielden aan. Lotharingen  en Italië vormden de wieg van langdurige culturele tradities. De invloed van het Rijnland en de Povallei op de regio mag niet gezien worden als iets dat werd doorgegeven via het Oost-Frankische rijk. Er zijn ook directe contacten tussen Francia Media en de Centraal-Europese gebieden gedocumenteerd. In Centraal-Europa liggen twee Bakermatten van de Europese cultuur.

 

De burcht van Praag bevindt zich op een lange richel langs de linkeroever van de Moldau. Een nederzetting en een begraafplaats met het graf van een krijger en mogelijk een cultuscentrum vormen de eerste getuigen van blijvende bewoning vanaf het laatste kwart van de negende eeuw. Opvallend zijn de verscheidene kerken die de heersers op de site bouwden in de tiende eeuw. Het lijkt erop dat het machtsevenwicht veranderde na het midden van die eeuw. De bergkam met zijn indrukwekkende gebouwen werd de zetel van een bisdom en groeide uit tot het spirituele centrum van Bohemen in de loop van de elfde eeuw. Gedurende de daaropvolgende eeuwen ontwikkelde de burcht van Praag zich tot het machtscentrum van zowel de politieke als de religieuze overheid van het Premyslid prinsdom en latere Centraal-Europese staten.

 

In Slovakije is de Sint-Joriskerk van Kostol’any uitzonderlijk omwille van de prachtige muurschilderingen. Het gebouw zelf dateert van de eerste helft van de elfde eeuw en was oorspronkelijk een erg eenvoudige eenbeukige kerk met een rechthoekig koor. De muurschilderingen in het interieur behoren tot de oudst bewaarde in geheel Centraal-Europa. Ze horen thuis in de internationale stijl rond 1000 na Christus, waarvan de oorsprong in Italië en Rome ligt.

 

 

5 ZUIDOOST-EUROPA: GRENSGEMEENSCHAPPEN

 

De archeologische site van Gradišče boven Bašelj ligt in het huidige Slovenië en is een overblijfsel uit de tijd dat de Romeinse wereld geleidelijk aan veranderde in een middeleeuws Europa. De oostelijke Alpen ontsnapten niet aan de krachtige stromingen binnen deze transformatie die het hele continent overspoelde van de vijfde tot en met de tiende eeuw. 

 

Het leven in de grote oostelijke alpiene valleien werd aanzienlijk beïnvloed door de migratie van volkeren, een verzwakte economie en de interventies van nieuwe politieke krachten. Zoals elders worden deze nieuwe omstandigheden ook aangetroffen in Carniola, het land langs de bovenloop van de Sava, ten zuiden van de bergketens van Karavanke en de Kamnik-Savinja-Alpen, met aan de voet de steile heuvel van Gradišče. Vanop de top kijkt men uit over de uitgestrekte vlakte van Kranjsko polje, tot aan de stad Kranj – het Romeinse Carnium en het vroegmiddeleeuwse Creina – die het traditionele centrum van de regio Gorenjska is. De kenmerkende naam Gradišče verwijst naar het bestaan van een oude versterkte nederzetting. Archeologische opgravingen bevestigden dat er twee bewoningsfases waren. De oudste dateert uit de laatantieke periode, uit de vijfde-zesde eeuw, en de jongere fase uit de periode tussen de achtste eeuw en de eerste helft van de tiende eeuw. Later wordt er naar Gradišče verwezen in een document van 1156, waarin wordt gesteld dat er in het dorp Bašelj een heuvel ligt die geschikt is om er een kasteel op te bouwen en dat er ooit al een versterking had gestaan. Ook in twee documenten van 1437 en 1454 is de heuvel als Gradišče vermeld.

 

Het verrassende aan Gradišče boven Bašelj is niet alleen de overvloed aan vondsten (meer dan 1.700 zijn er opgeslagen in het Nationaal Museum van Slovenië en enkele in het museum van Gorenjska in Kranj), maar ook de hoge kwaliteit van deze objecten, die met verschillende technieken gevarieerd werden versierd. De meeste vondsten zijn te dateren tussen het einde van de achtste en de eerste helft van de tiende eeuw. Wat vooral opvalt, zijn de talrijke stukken paardentuig, uitrusting van ruiters, wapens, gereedschap, dagdagelijkse voorwerpen en juwelen. De uitrusting van de paarden en de ruiters is niet alleen uitermate vakkundig gemaakt uit ijzer van hoge kwaliteit, de buitenzijde is ook vertind en bij sommige bronzen objecten verguld. Deze laatste vertonen Karolingische invloeden en behoorden ongetwijfeld toe aan iemand van de heersende klasse in het vroegmiddeleeuwse Carniola op het einde van de achtste eeuw en in de negende eeuw. Rekening houdend met de sociale status van die persoon kan men een kerk met een christelijke liturgie verwachten op zijn landgoed in Gradišče, vooral dan omdat op de site een wierookvat uit bladbrons, versierd met een parelsnoer, werd gevonden.

 

Een andere belangrijke Bakermat van Europese cultuur in Zuidoost-Europa bevindt zich in het Kroatische Ducatum en koninkrijk, op de grens van keizerrijken. De vroegste geschiedenis van de Kroaten die zich vestigden in het gebied van de voormalige Romeinse provincies Panonia en Dalmatia staat nog steeds ter discussie. De bronnen over gebeurtenissen in de periode van de zesde tot de negende eeuw zijn schaars of werden later geschreven. Zowel op basis van historische hypotheses en archeologisch onderzoek als van recente belangrijke filologische en antropologische bijdragen kan men stellen dat de Kroaten het hinterland van de Oost-Adriatische kust koloniseerden in de late zesde en het begin van de zevende eeuw. Ze vestigden zich vlak op de grens tussen twee grote politieke machten, het Byzantijns keizerrijk en het West-Frankisch koninkrijk, die hun vroege geschiedenis en belangrijke historisch processen sterk beïnvloedden.

 

Met de komst van Karel de Grote begonnen de geopolitieke relaties drastisch te veranderen. Volgens de kroniek van Einhard Vita Karoli imperatoris had Karel de Grote heel Dalmatië veroverd, behalve een smalle kuststrook met enkele steden. Het verdrag van Aachen in 812 tussen Karel de Grote en de Byzantijnse keizer legde de grens tussen beide keizerrijken vast bij de Cetina rivier. Daarbij werden de Dalmatische steden aan Byzantium toebedeeld, terwijl het hinterland (het land van de Kroaten) en Istria onder Frankisch bestuur kwamen. De vroege vormen van staatsorganisatie van de Kroaten werden sterk beïnvloed en mee vorm gegeven door de Franken. Het land was georganiseerd als een half onafhankelijke formatie aan de grenzen van een groot rijk en gegrondvest op Slavische, voorchristelijke en pre-feodale tradities. De bronnen en de archeologische vondsten wijzen op een grote Karolingische aanwezigheid en machtspositie, ofwel door de directe keizerlijke autoriteit ofwel door de hoge ambtenaren.

 

De sterkste band lag in de militaire alliantie. Dit bewijzen de archeologische vondsten van uitrusting en wapens, zoals zwaarden, lansen, sporen en andere objecten van hoge kwaliteit, die de suprematie van de Karolingische bondgenoten moesten verzekeren. Onder de hogere klassen werden nog meer luxegoederen verdeeld om hun sociale status te versterken. In de bronnen duiken de eerste Kroatische heersers op als duces, princeps of comes, terwijl de titel koning (rex) voor het eerst wordt gebruikt voor Trpimir (in het midden van de negende eeuw). In de kroniek van aartsdeken Thomas vinden we de eerste verwijzing naar een Kroatische heerser die tot koning werd gekroond: koning Stjepan Drzislav in de late tiende eeuw. De kroon werd geschonken door de Byzantijnse keizer tijdens de Bulgaarse oorlogen toen de Kroaten de zijde van de keizer kozen. De oosterse invloeden werden toen gevoeld door de pogingen van Constantinopel om zijn macht naar het westen uit te breiden door de invoering van de Slavische liturgie, het alfabet (cyrillisch en glagotisch) en de verspreiding van literatuur. Kroatië ontwikkelde zich dus onder de sterke invloed van twee verschillende culturele sferen die de historische gebeurtenissen afwisselend domineerden.

 

De oprichting van het Kroatische vorstendom/koninkrijk liep samen met de introductie van het christendom bij de Kroaten. De aanvaarding van de nieuwe godsdienst was een traag en complex proces dat werd beïnvloed vanuit diverse hoeken en instellingen en werd gestuurd door missionarissen (gezonden door het Aquileiaans patriarchaat, Rome, Frankische heersers, Dalmatisch-Byzantijnse steden en andere Slavische vorstendommen). Dit proces is archeologisch goed gedocumenteerd door verscheidene belangrijke artefacten en individuele vondsten uit rijen van graven uit het einde van de achtste en de eerste helft van de negende eeuw. Ze getuigen van de verspreiding van het christendom onder de gewone mensen. Het bewijs van het missionariswerk wordt ook geleverd door de patroonheiligen van de pre-romaanse kerken uit de negende eeuw (Sint-Anselmus in Nin, Sint-Martha in Bijai) en de namen van de priesters die in de stenen fragmenten van het interieur staan gegrift (deken Ghumpertus, abt Teudebertus). Kroatische heersers en hoogwaardigheidsbekleders, geestelijk zowel als wereldlijk, hadden nauwe banden met Rome en de lekenadel had al vroeg goede betrekkingen met de kerk en de kloosters als schenkers bij de bouw of de heropbouw en herinrichting van de kerken. 

 

Een van de belangrijke hofcentra van het vroegmiddeleeuwse Kroatische vorstendom/koninkrijk was de huidige site van Crkvina (Biskupija). De site is beter bekend omwille van de oude kerk van de Heilige Maria (waarvan de archeologische overblijfselen zijn bewaard), de fragmenten van het stenen interieur en de begraafplaatsen rond de kerk, die dateren van de vroegchristelijke periode tot vandaag. Van de vroege negende tot de twaalfde eeuw werd de site gebruikt als het ‘mausoleum van de Kroatische heersers’, vandaar de rijke oogst aan fragmenten van beeldhouwwerken en grafvondsten. Een van de meest opmerkelijke vondsten is de zogenaamde sarcofaag van Borna die in 1891 werd ontdekt in de vestibule van de Heilige Mariakerk. Hij was gemaakt met Romeinse spolia en bevatte een mannelijk skelet en luxueus vergulde onderdelen van militaire uitrusting die van Karolingische afkomst zijn en kunnen worden gedateerd in de eerste helft van negende eeuw.

 


 

‘Oude’ ambities van eenheid

 

 

De hertogen van Bourgondië en Napoleon

 

 

DE DROOM VAN BOURGONDISCHE SOEVEREINITEIT

 

In 1369 huwde Filips de Stoute, hertog van Bourgondië en broer van de Franse koning Karel V (1364-1380), met Margareta, enige dochter en erfgename van de graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Male (1330-1384). In de bruidsschat van Margareta bevonden zich tevens de graafschappen Artesië, Bourgondië (de Franche Comté), Nevers en Rethel, de baronie van Donzy, en de heerlijkheden Antwerpen, Mechelen en Salins. Dit huwelijk had bijzonder verstrekkende gevolgen. Eens Filips de Stoute in het rijke, uitzonderlijk sterk geürbaniseerde Vlaanderen vaste voet had gekregen, werd de verdere uitbouw van de Hausmacht van zijn dynastie in de Nederlanden de belangrijkste motivatie van zijn politiek optreden. 

 

Het huwelijk van Filips en Margareta was een succes. Op bestuurlijk vlak vormden ze een echte tandem en bovendien kregen ze tien kinderen, waarvan er zeven de volwassen leeftijd bereikten. Het echtpaar ging actief op zoek naar geschikte huwelijkskandidaten voor hun kroost, een garantie voor een machtige dynastie, krachtige bondgenootschappen en uitbreiding van het territorium. Het dubbelhuwelijk in Kamerijk in 1385 is hiervan een mooi voorbeeld: Margareta van Beieren huwde met de Bourgondische erfprins Jan van Nevers (de latere Jan zonder Vrees), terwijl Margareta van Bourgondië trouwde met Willem van Beieren. Deze huwelijkspolitiek, gekoppeld aan vroegtijdige overlijdens, kinderloos gebleven huwelijken, koop en toevallige omstandigheden, liet de Bourgondische hertogen toe om Henegouwen,  Holland-Zeeland, Brabant, Limburg en Namen aan hun bezittingen toe te voegen. 

 

Vóór 1435 was de groei van het Bourgondische complex vooral het gevolg geweest van huwelijken en dynastieke toevalligheden. Na die datum begon Filips de Goede (1396-1467) ambitieuze plannen te koesteren. In 1447 werd de idee van het koninkrijk naar voor geschoven: het koninkrijk ‘Neder-Duitsland’, als erfgenaam van het oude middenrijk Lotharingen. De hertog moest daarvoor ook het oppergezag in handen krijgen over de vorstendommen Gelre, Gulik, Kleef, Bar en Lotharingen. De koningsdroom werd verder nagestreefd door Karel de Stoute (1467-1477). Hij kwam hierbij herhaaldelijk in conflict met de Franse koning Lodewijk XI (1461-1483) en met de Duitse koning-keizer Frederik III (1440-1493). Tijdens het beleg voor Nancy sneuvelde de hertog in 1477. Hij werd opgevolgd door zijn dochter Maria van Bourgondië (1477-1482). Vanaf dat moment begon de macht van de Bourgondiërs te tanen. Eind vijftiende eeuw kwam het Bourgondische complex in Habsburgse handen terecht – Maria van Bourgondië was gehuwd met de Habsburger Maximiliaan I – en het ging uiteindelijk op in het grote rijk van Karel V. Deze realiseerde in 1512 met de inrichting van de Bourgondische Kreits in de context van het Duitse rijk (hij werd in 1519 tot keizer gekroond) de institutionele droom van Karel de Stoute: met name de Nederlanden loskoppelen van elke invloed van het parlement van Parijs en dus van de Franse koning. 

 

Karel V incarneerde door zijn Bourgondische afkomst, zijn cultiveren van het ridderideaal en door zijn incarnatie van het kruisvaarderideaal de eenheid van de christenheid en van Europa die meer dan ooit aansloot bij de figuur en de geschiedenis van Karel de Grote en van zijn eigen Bourgondische voorvaderen. Een ander symbool van de ambitie van de Bourgondische hertogen om aan hun amalgaam van gebieden een zekere eenheid te bieden, de inrichting van de ridderorde van het Gulden Vlies (ingesteld in 1430 door Filips de Goede), overleef- de ook zonder veel moeite, ook al raakte ze door de lotgevallen van de dynastie van Habsburg opgesplitst in een Spaanse en een Oostenrijkse tak.

 

In de eeuwen die volgden, keken geschiedschrijvers terug op de Bourgondische periode. De meningen waren verdeeld. Voor sommigen waren de Bourgondi- sche hertogen despoten die de steden en hun vrijheid hadden beknot. Anderen huldigden de hertogen omdat ze zich hadden afgezet tegen de pogingen van Frankrijk om de Nederlanden in te lijven. De Gentse historicus Pirenne zorgde bij het begin van de twintigste eeuw voor een nieuwe visie: indien de gewesten die later België zouden worden, niet gekenmerkt werden door een taalkundige, geografische of raciale eenheid, dan bespeurde hij toch een groeiende economi- sche solidariteit en een gemeenschappelijke culturele identiteit, waarboven zich uitgerekend door het optreden van de Bourgondische hertogen een politieke een- heid installeerde. De ironie van de geschiedenis heeft gewild dat de democraat en liberaal Pirenne op deze wijze de Bourgondische hertogen salonfähig heeft gemaakt voor een recuperatie van hun symbolen door de extreemrechtse bewe- gingen die in de jaren 1930 de kop opstaken en waarvan sommige in de loop van de Tweede Wereldoorlog in de collaboratie met nazi-Duitsland verzeilden. 

 

 

NAPOLEON, EEN NIEUWE KAREL DE GROTE?

 

Sinds zijn overlijden in 814 is Karel de Grote steeds een ‘inzet van de geschiedenis’ geweest. Hij is het archetype bij uitstek van een ‘Europese’ historische figuur die door tal van landen geclaimd werd. Voor de Franse koningen was de link met de koning-keizer van uitermate groot belang voor de legitimatie van hun macht. De regalia verwezen rechtstreeks naar Karel de Grote: een kroon en een zwaard naar verluidt ‘van Karel de Grote’, een scepter met een beeldje van de keizer. Hij werd beschouwd als heilige, als stichter van de monarchie en als voorvechter van de rechten van het volk. Vanaf de achttiende eeuw beschouwden de tegenstanders van het absolutisme Karel de Grote immers als een vorst die zijn macht deelde met vertegenwoordigers van het volk. Omdat er zo weinig over hem geweten was en het beeld bovendien sterk verstoord was door de vele literaire bronnen, kon hij voor elk doel gebruikt of misbruikt worden.

 

De Eerste Franse Republiek (opgericht in 1792) verkoos de figuur van Roland, vechter voor het vaderland, boven die van Karel de Grote, omwille van zijn ‘verwantschap’ met de Karolingische dynastie. Dichters schilderden de keizer af als decadent, brutaal en gestoord. Tijdens het Directoire (1795-1799) verscheen hij opnieuw positief op het toneel: de oude keizer werd uitgerold in dienst van de propaganda van het nieuwe regime en van zijn leider, zoals voor het eerst duidelijk te zien is in het schilderij Napoleon steekt de Alpen over van Jacques-Louis David uit 1801: in de stenen onder de hoeven van het paard staan de namen Bonaparte, Hannibal en Karel de Grote gegraveerd. De politieke schrijvers trokken oorspronkelijk de parallellen tussen de keizer en Napoleon, maar meer en meer gingen ze hem als de nieuwe Karel de Grote voorstellen, een evolutie die navolging kreeg in het onderwijs, de kunst en de literatuur.

 

Napoleon beriep zich op tal van principes om zijn macht te legitimeren. De historische verantwoording werd quasi exclusief gezocht bij Karel de Grote, de restaurator van het Romeinse Rijk. Kort na de keizerskroning in 1804 begaf Napoleon zich dan ook op weg naar Aken om zijn voorganger te ‘ontmoeten’. Hij bracht een bezoek aan het graf, groette de relieken, maar weigerde plaats te nemen op de marmeren troon. Kroon, zwaard, scepter, sporen en andere attributen van Karel de Grote werden getoond. Tijdens de keizerskroning op 2 december 1804 in Parijs was de referentie aan de voorganger ook duidelijk aanwezig. De façade van de Nôtre-Dame was aangekleed met een portiek versierd met de standbeelden van Clovis en Karel de Grote; deze waren ook afgebeeld op de wandtapijten die in de kathedraal waren opgehangen. Twaalf dignitarissen omringden Napoleon, zoals de twaalf pairs rond Karel de Grote hadden gestaan, en de zogenaamde Karolingische eretekens werden uitgestald.

 

Na de kroning en drijvend op zijn successen nam Napoleon meer en meer afstand van Karel de Grote. Hij beschouwde zich wel als legitieme opvolger van Karel de Grote, maar hij had de historische figuur niet langer nodig om zijn macht te legitimeren. Napoleon was de nieuwe restaurator van het Keizerrijk. Dit nam echter niet weg dat de referenties bleven, in de kunst, in de literatuur, zelfs in de administratie. En Bonaparte zelf maakte op een intelligente en geslepen manier gebruik van de geschiedenis om zijn handelingen te verantwoorden. Leven en werk van Karel de Grote maakten deel uit van de keizerlijke politieke theorie. Het meest opvallende en expliciete voorbeeld hiervan is het conflict met de Heilige Stoel. In 1806 schreef Napoleon in dit kader: “Ik ben Karel de Grote, het zwaard van de Kerk, hun keizer en ik wil ook als dusdanig behandeld worden.” In naam van de geschiedenis weigerde Napoleon elke vorm van wereldlijke macht toe te kennen aan de paus en verantwoordde hij de annexatie van de pauselijke staten.

 

Napoleon en zijn tijdgenoten waren geobsedeerd door de geschiedenis, waaruit ze referenties, voorbeelden en symbolen plukten. Ze plaatsten de geschiedenis in dienst van het legitimeren van macht en verandering, van het smeden van continuiteit. Bij het materialiseren van de voorbeelden nam Karel de Grote een bijzondere en constante plaats in.

 


 

De wereldoorlogen

 

 

Elk zijn Europa?

 

 

FRANCIA MEDIA IN DE VERBEELDING VAN DE GROTE OORLOG

 

Cambrai, Péronne, Verdun: het Westelijke front tijdens de Eerste Wereldoorlog liep voor een deel door het oude Francia Media. Maar een ‘middengebied’ was het niet, eerder een wederzijds bolwerk. Het Westelijke front was tijdens de Eerste Wereldoorlog het front waar alles om draaide: dáár en nergens anders werd de strijd beslecht. Hele samenlevingen werden daartoe gemobiliseerd – en mobiliseerden zichzelf. Deze ontzaglijke collectieve inspanning werd van bovenaf gestuurd, maar wat haar voortstuwde was een amalgaam van dwang van bovenaf, groepsdruk, zelfopgelegde verplichtingen en overtuigingen van allerlei aard. Cruciaal voor het onderschrijven van de oorlogsinspanning was niet zozeer enthousiasme – een berustend idee van plicht was veel meer verspreid – dan wel de overtuiging dat de oorlog een strijd was om de verdediging van de eigen natie (en om de verdediging van datgene waar die natie voor stond). Een strijd die historisch geworteld was, ja zeer ver in de tijd terugging. Dat vage maar intens aangevoelde idee van continuïteit vond uiting in een explosie van proza in vele vormen. Aan Duitse zijde riepen studies op tot een welbegrepen hertekening van de kaart van Europa. Zo was het zaak de “meest westelijke tak van het Oudnederduitse volkseigen” in Frans-Vlaanderen te redden, een taak die al sinds de Merovingers heette te zijn verwaarloosd. Een Frans toneelstuk, met de wereldberoemde actrice Sarah Bernhardt in de hoofdrol, voerde de beschadigde kathedraal van Reims op als het jongste slachtoffer van Attila en zijn Hunnen. 

 

En zo groeide aan beide zijden het idee van een wederzijds bolwerk. Weliswaar vergde de Duitse voorstelling van zaken een hachelijker conceptuele sprong, omdat daar een aanval als zelfverdediging moest gelden en veroverd gebied als een vooruitgeschoven dijk. Maar aan beide zijden werd de oorlog omhooggestileerd tot een aloude, wezenlijke confrontatie tussen werelden die elkaar per definitie uitsloten. Beide partijen beriepen zich daarbij op culturele waarden, op historisch erfgoed – Karolingische thema’s incluis – en op de Europese gedachte. Kortom, ook tijdens de Eerste Wereldoorlog gold: elk Europa creëert zijn eigen Europa.

 

Een eeuw later beroert de Eerste Wereldoorlog nog steeds de gemoederen. Zeker naar aanleiding van het eerste ‘eeuwfeest’ wordt er veel nieuw onderzoek verricht. Dat de oorlog ook een archeologische afdruk heeft nagelaten, wordt pas sinds kort ten volle erkend. Het feit dat de oorlog op een bepaald moment vastliep en de legers zich ingroeven, veroorzaakte de vorming van een welbepaald bodemarchief. Sinds 2002 is het onderzoek hiervan in Vlaanderen – in Frankrijk al tien jaar eerder – geleidelijk in het archeologisch programma opgenomen.

 

Het archeologisch onderzoek heeft tot dusver vele en zeer verscheidene sporen aan het licht gebracht: van de verschillende manieren om loopgraven uit te bouwen, over munitie en militaire uitrustingsstukken tot persoonlijke bezittingen en menselijke resten. Uit het onderzoek komen ook bepaalde andere aspecten naar voor, die de volksaard of de militaire organisatie illustreren, zoals duidelijke bezorgdheid om de veiligheid van de manschappen, duurzaamheid van de constructies en materiaalrecuperatie aan Duitse zijde, wat zich duidelijk afzet tegenover de ‘andere’ kant, waar alles iets lichter, vluchtiger, maar ook onveiliger was; kennelijk voortdurend met de blik op de beslissende doorbraak. 

 

De archeologische informatie is complementair met andere bronnen en leidt zo tot een maximaal inzicht en begrip van de situatie. Daarnaast levert archeologisch onderzoek ook nieuwe informatie op over onbekende structuren, over sporen uit het begin van de oorlog, toen het geheel nog niet volledig bestreken werd met luchtfoto’s en kaarten. Het onderzoek draagt bij tot de algemene kennis over de Eerste Wereldoorlog. De archeologische informatie is ook voor de sociale antropologie een nieuwe bron van onderzoek en inspiratie. Uit de reacties op dit onderzoek valt trouwens ook af te leiden dat er een grote maatschappelijke dimensie aan vasthangt. Dit is archeologie die de mensen aanspreekt en diep raakt. 

 

 

HET DUIZENDJARIGE RIJK VAN ADOLF HITLER

 

Al in zijn benaming refereerde het Derde Rijk aan het middeleeuwse Duitse keizerrijk dat op zijn beurt verbonden is met het rijk van Karel de Grote. Hitler zag zich als de opvolger van de Duitse middeleeuwse keizers. Meer dan Karel de Grote, die door de nationaalsocialistische ideoloog Alfred Rosenberg zeer negatief werd afgeschilderd, werden Frederik Barbarossa en Frederik de Grote door Hitler op het schild gehesen als zijn legendarische voorgangers, terwijl uit het tweede Duitse keizerrijk het eerder kanselier Bismarck dan de keizer zelf was die verheerlijkt werd in de nationaal-socialistische propaganda. Hitler had weinig op met de Duitse adel van zijn tijd, maar des te meer dweepte hij met het mythische Germaanse rijk dat in de nevelen der tijden was ontstaan. ‘Germanenkunde’ kreeg dan ook veel middelen ter beschikking van de nationaalsocialistische staat. 

 

De nationaalsocialistische propaganda over het Duits-Germaanse rijk diende vooral geopolitieke doeleinden. Het legitimeerde de annexatie van het zogeheten Germaanse Europa en de verovering van Oost-Europa zoals de Duitse ridderorden het hadden voorgedaan. Het is geen toeval dat de aanval op de Sovjet-Unie de codenaam Operatie Barbarossa kreeg. Binnen het nationaalsocialistische universum was het vooral de SS die het Germaanse gedachtegoed uitdroeg. In de Waffen-SS mochten aanvankelijk uitsluitend Germaanse broedervolkeren de wapens opnemen. Waffen-SS divisies als ‘Wiking’, ‘Germania’, ‘Nordland’, ‘Hohenstaufen’ refereerden aan het roemrijke Germaanse verleden. Maar toen het alle hens aan dek was aan de Duitse fronten, werden de racistische standaarden soepeler. Ook nietGermanen werden in de Waffen-SS opgenomen. De Franse Waffen-SS divisie werd ‘Charlemagne’ gedoopt. In de nationaalsocialistische propaganda heette het nu dat om het lot van Europa werd gestreden. In die voorstelling kon het Rijk van Karel de Grote van stal worden gehaald.

 

 

FASCISTISCHE ARCHITECTUUR ALS POLITIEK INSTRUMENT

 

Het fascistische regime gebruikte de architectuur als een van zijn belangrijkste en meest effectieve propagandamiddelen om eensgezindheid te verkrijgen. Hoewel in het bijzonder Mussolini aarzelde tussen het modernistische realisme en de nadruk op traditie, was het verplichte model voor publieke bouwprojecten vanaf het midden van de jaren 1930 de architectuur van het keizerlijke Rome, meer specifiek vanaf het tijdperk van Augustus.

 

Toen Italië met de verovering van Ethiopië (1936) aan zijn koloniale avonturen begon, wou Mussolini voorgesteld worden als de erfgenaam van Augustus, de eerste Romeinse keizer, zowel wat de architecturale verwezenlijkingen betreft als de militaire glorie.

 

De voornaamste gebouwen uit die tijd werden gekenmerkt door een strikt symmetrisch bouwplan en een systematisch en overvloedig gebruik van bogen en zuilen, marmeren materialen en versieringen met keizerlijke symbolen zoals adelaars en fasces of atletische mensenfiguren met duidelijke raciale/ racistische bijbetekenissen.

 

De evocatie van de Romeinse oudheid was steeds alleen bedoeld voor politieke doeleinden. Dat wordt duidelijk gemaakt door de houding van het regime ten opzichte van archeologische overblijfselen, die vaak op een opportunistische manier werden ‘aangepast’ volgens de noden van het moment. In de twee decennia van het fascistische bewind (1922-1943), werd Rome getransformeerd als gevolg van grote sloopwerken en nieuwe constructies. Het was de bedoeling ervoor te zorgen dat de fascistische cultuur haar opmerkelijke en blijvende stempel zou drukken op het stadsweefsel, om van de stad de waardige erfgenaam te maken van het keizerlijke en renaissancistische Rome. 

 

In het centrale gedeelte, de site met de belangrijkste antieke archeologische overblijfselen, werden hele buurten met middeleeuwse en renaissancegebou- wen met de grond gelijk gemaakt om de antieke Romeinse monumenten te isoleren en een spectaculaire achtergrond te scheppen voor militaire parades (Via dell’Impero, nu Via dei Fori Imperiali).

 

In 1937 begon men plannen te maken voor de bouw van een volledig nieu- we wijk om de wereldtentoonstelling van 1942 te ontvangen (Esposizione Universale – E42); het project werd onderbroken omwille van de oorlog. De stadsplanning en de gebouwen die hier werden opgetrokken (in het bij- zonder het Palazzo della Civiltà Romana, of “vierkantig Coliseum”) wilden wedijveren met het Romeinse castrum en de grandiositeit van de keizerlijke architectuur. 

 


 

Bouwwerf Europa

 

 

Van samenwerking naar integratie

 

 

Op 9 mei 1950 riep de Franse minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman Frankrijk en Duitsland op om hun kolen- en staalsector voortaan gemeenschappelijk te beheren. Op die manier zou in de toekomst oorlog onmogelijk worden: de strijd tussen Frankrijk en Duitsland had in het verleden immers meestal te maken met het verwerven van controle over kolen- en staalbekkens. Bovendien vormden kolen en staal toen nog de grondstof voor de wapenindustrie. 9 mei wordt vandaag nog altijd gevierd als Europese feestdag. De plannen van Schuman hebben geleid tot de oprichting van een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Zes landen deden mee: Frankrijk, Italië, België, Nederland, Luxemburg en het toenmalige West-Duitsland.

 

 

DE START VAN DE EUROPESE INTEGRATIE

 

Dezelfde zes landen die de EGKS hadden opgericht, beslisten later in de jaren 1950 om nauwer met elkaar samen te werken in verband met atoomenergie. En, veel belangrijker, ze spraken af om geleidelijk aan een gemeenschappelijke markt te vormen, waarbij de barrières tussen de lidstaten zouden moeten verdwijnen. Daartoe richtten ze een Europese Economische Gemeenschap (EEG) op. De EEG zou ook een landbouwbeleid voeren. Die afspraken werden in 1957 plechtig ondertekend in Rome. Men spreekt sindsdien over de Verdragen van Rome.

 

In 1973 kreeg de EEG er drie nieuwe leden bij, Denemar- ken, Groot-Brittannië en Ierland. In de jaren tachtig zouden ook de Zuid-Europese landen Spanje, Portugal en Grieken- land lid worden, nadat de dictaturen en militaire regimes er plaats hadden geruimd voor democratische stelsels.

 

De uitbouw van de EEG zou een werk van lange adem worden. Bij de start van het project waren er nog veel handelsbelemmeringen tussen de lidstaten. De bedoeling was om de slagbomen tussen de staten te laten verdwijnen: landen zouden geen producten uit andere landen meer mogen tegenhouden aan de grenzen of extra mogen belasten. Bedrijven die een product maken in één land, zouden dat automatisch ook kunnen verkopen in alle andere landen van de economische gemeenschap. Dat was althans de bedoeling. Toch verzonnen landen vaak nog redenen om producten aan de grenzen tegen te houden, bijvoorbeeld omdat ze on- veilig of ongezond zouden zijn. Soms waren dat waarschijnlijk oprechte bekommernissen. Maar vaak waren het ook simpelweg trucjes om concurrentie vanuit het buitenland te beperken en zo de eigen bedrijven toch weer te bevoordelen. Halfweg de jaren tachtig kwam Jacques Delors, de Franse voorzitter van de Europese Commissie, met een voorstel. Tegen eind 1992 wilde hij een echt vrij verkeer van goederen realiseren. Zijn initiatief werd al snel bekend als het ‘Europa 92-project’.

 

Daarvoor was het belangrijk dat de Europese Gemeenschap meer macht kreeg over de lidstaten en hen echt zou kunnen dwingen om hun markt open te stellen. Minstens even be- langrijk was dat de Gemeenschap ook meer bevoegdheden zou moeten krijgen. De eengemaakte Europese markt zou immers geen wilde westen mogen worden, zonder regels en afspraken. Er waren dan ook veel regels nodig. Producten die op de Europese markt verkocht worden, moeten aan vele voorwaarden en standaarden voldoen.

 

De Verdragen van Rome werden dan ook grondig gewij- zigd. In 1986 werd de Europese Akte plechtig ondertekend. Voortaan zou de Europese Gemeenschap meer bevoegdhe- den hebben en zou ze werken met andere, soepelere spelre- gels. De impact van Europa op het leven van de mensen zou vanaf nu heel groot worden.

 

 

DE KOUDE OORLOG: EUROPA 45 JAAR VERDEELD

 

De Koude Oorlog zorgde voor de meest waterdichte deling van Europa ooit. De NAVO (1948) en het Pact van Warschau (1955) stonden lijnrecht tegenover elkaar. De internationale politiek werd in West-Europa beheerst door de Verenigde Staten die met hun Marshallplan de economie flink hadden geholpen. Vooral West-Duitsland en West- Berlijn bloeiden op. In de sfeer van het Atlantisme verame- rikaniseerde West-Europa op vele gebieden.

 

Toch probeerden Charles de Gaulle, Willy Brandt en Pierre Harmel in de jaren zestig en zeventig van onder de Amerikaanse voogdij uit te komen en rechtstreeks met de landen van het Pact van Warschau te onderhandelen om de Europese deling op te breken. 

 

In Helsinki (1975) legden alle Europese landen en hun voogden de Verenigde Staten, Canada en de Sovjet-Unie zich neer bij die deling. Door toepassing van de militaire vertrouwenwekkende maatregelen was een verrassingsaanval van een van de pacten vrijwel onmogelijk geworden. Strijd om invloedssferen in de derde wereld deed de spanning weer oplaaien.

 

Gorbatsjov liet na 1985 toe dat de Centraal-Europese landen uit de invloedssfeer van de Sovjet-Unie ontsnapten en maakte daardoor een einde aan de Europese deling.

 

 

VAN EUFORIE TOT EUROCRISIS: EUROPA NA DE VAL VAN DE MUUR

 

In 1989 viel de Berlijnse Muur. Het IJzeren Gordijn dat Europa sinds de Tweede Wereldoorlog in twee deelde, verdween. De Westerse democratie en de vrije markt zegevierden. Over de hele Europese Gemeenschap hing een sfeer van euforie.

 

Europese leiders waren ambitieus in die periode. Het plan groeide om op de Europese markt één munt in te voeren, de euro. De Europese landen spraken af om één buitenlands beleid te voeren. Europa moest na het verdwijnen van het communisme immers niet meer onder de paraplu van Amerika blijven. Het zou voortaan eigen keuzes kunnen maken. De landen zouden ook andere uitdagingen samen aanpakken, zoals de zorg voor veiligheid en de misdaadbestrijding. In het Verdrag van Maastricht legden de lidstaten deze afspraken vast. De Europese Gemeenschap zou een heuse Europese Unie worden. Snel bleek dat sommige afspraken in de praktijk toch niet zo makkelijk te realiseren waren. Als het er echt op aankwam, wilden landen toch zelf enkele touwtjes in handen houden. Te veel Europese bemoeienis werd niet aanvaard.

 

De Europese leiders ontmoetten elkaar verschillende keren per jaar. Op hun bijeenkomsten werden steeds grote plannen gesmeed, zoals over een gezamenlijk asiel- en migratiebeleid, duurzame ontwikkeling als leidraad voor het beheer, over klimaat en een Handvest voor de Grondrechten. Op de top van Lissabon, in 2000, nam Europa zich voor om tegen 2010 de sterkste en meest moderne economie ter wereld te worden. En nadien kwam er nog het Europa 2020-plan om te evolueren naar een slimme, duurzame en inclusieve economie.

 

De meeste van deze plannen zijn nooit helemaal uitgevoerd. Het waren goede voornemens, maar het bleek in de praktijk toch nooit zo eenvoudig om ze te realiseren. Landen willen niet dat Europa zich te veel bemoeit met hun eigen beleid inzake migratie, hun sociale politiek of andere kwesties waarover ze graag zelf het laatste woord hebben.

 

Oost- en West-Duitsland werden in 1990 herenigd en daarmee werd de Europese Unie een stukje groter. In 1995 werden Zweden, Oostenrijk en Finland lid van de Europese Unie. Rond de millenniumwissel stonden de meeste Europadebatten in het teken van de uitbreiding naar Centraal- en Oost-Europa. Al in 1993, op een top in Kopenhagen, werden de voorwaarden vastgelegd waaraan landen moeten voldoen als ze lid willen worden van de Unie. Landen moeten een democratie zijn, een vrije markteconomie hebben, en ze moeten al de bestaande Europese wetten toepassen in het eigen land. In 2004 traden Cyprus, Malta, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Slovenië, Slowakije, Tsjechië en Hongarije toe tot de Unie. Drie jaar later, in 2007, volgden Bulgarije en Roemenië. En in 2013 kwam Kroatië erbij.

 

Bij de bevolking nam het Europa-enthousiasme stilaan af. In de jaren negentig werd de impact van Europa altijd maar groter, maar mensen begrepen vaak niet waarom de Unie zich steeds dieper in het leven van alledag nestelde. Beleidskeuzes van Europese leiders werden in vraag gesteld. Bij referenda over Europese verdragen werd er dikwijls ‘nee’ gestemd. Bij de Europese parlementsverkiezingen daalde de opkomst keer op keer. De Europese leiders probeerden grondige hervormingen door te voeren door een Europese Grondwet op te stellen, maar ook deze poging strandde na negatieve referenda in Frankrijk en Nederland. Het Verdrag van Lissabon heeft de Unie wel meer slagkracht gegeven, onder meer door de aanstelling van een vaste voorzitter voor de Europese Raad van staats- en regeringsleiders. Herman Van Rompuy werd de eerste Europese ‘president’.

 

In 2002 kwam de euro in omloop in twaalf lidstaten: België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Spanje. In 2007 zou Slovenië de euro invoeren. Een jaar later volgden Cyprus en Malta en in 2009 ook Slowakije. Estland volgde in 2011 en Letland vervolledigde begin 2014 de club.

 

Vanaf 2008 werd de Europese Unie meegezogen in een diepe financiële crisis. Overheden maakten grote schulden, onder meer om hun banken te redden. Rond 2010 rolde de Unie in de eurocrisis. Griekenland kwam in nauwe schoentjes te staan en er werd een noodfonds opgericht om het land te helpen. Later moesten ook andere landen, zoals Portugal, Ierland, Spanje en Cyprus een beroep doen op dat noodfonds. Het voortbestaan van de ene munt stond op het spel en er doken telkens nieuwe problemen op. Europese leiders ploeterden van crisistop naar crisistop, maar hielden uiteindelijk wel steeds het hoofd boven water. Er werden maatregelen afgesproken om de nationale begrotingen onder controle te houden en banken aan scherper toezicht te onderwerpen. Landen stonden onder druk om te besparen. De euro overleefde de crisis, maar de sociale en economische gevolgen zijn nog lang niet van de baan: de groei blijft laag, de werkloosheid hoog.

 

In 2012, in het midden van de eurocrisis, werd de Europese Unie de Nobelprijswinnaar voor de Vrede. Ondanks alle problemen en crisissen is de Unie erin geslaagd om oorlogen onder haar lidstaten te vermijden. Conflicten zijn er wel degelijk, maar ze worden opgelost aan de onderhandelingstafel.

 

De landen van de Unie raakten zo sterk aan elkaar gehecht dat ze geen belang meer hebben bij het voeren van oorlog. De impact van Europa is intussen heel groot geworden en de uitdagingen in de wereld van morgen zullen steeds vaker een gemeenschappelijke aanpak vereisen. Of het nu gaat om de opwarming van de aarde, om misdaadbestrijding of om het bestrijden van werkloosheid: een efficiënt beleid zal gezamenlijk moeten worden gevoerd. 

 

De vraag is vandaag dan ook niet meer of er méér of minder Europa moet komen. Het debat zal de volgende jaren vooral gaan over de richting die Europa uit moet. Welke antwoorden moet Europa geven op de uitdagingen? Meer besparen en meer begrotingsdiscipline? Of meer solidariteit en een sterkere sociale politiek? Een humaan asielbeleid? Of duidelijke grenzen rond de Unie? Een voortrekkersrol in het klimaatdebat? Een Europa dat in de rest van de wereld de eigen belangen verdedigt? Of een Europa dat ook waarden probeert te verdedigen?

 

De tentoonstelling laat de lange weg zien die Europa heeft afgelegd vooraleer tot dit debat te komen. Ze confronteert de bezoeker met het gebruik en misbruik van het verleden, de macht van cultuur, de verdelende en verenigende krachten in Europa en het belang van grenzen. Het zijn thema’s die aan actualiteit nog niets hebben ingeboet. 

 

 

DE KUNSTCOLLECTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

 

De tentoonstelling De erfenis van Karel de Grote 814-2014 toont kunstwerken waarin Todor Azmanov, Nikos en Pantelis Sotiriadis, Rafal Olbinski en Pavlos Dionyssopoulous de Europese Gedachte vertalen. Ze behoren tot de collectie van het Europees Parlement. 

 

De traditie van de aankoop en de tentoonstelling van eigentijdse kunstwerken met de bedoeling de culturele productie van de EU-lidstaten te promoten, werd in 1980 ingevoerd door Simone Veil, de voorzitster van het eerste rechtstreeks verkozen Europees Parlement.

 

In 1980 was de onderliggende gedachte bij het verwerven van kunstwerken van de EU-lidstaten op Europees niveau de gewoonte te introduceren om eigentijdse kunstwerken te verzamelen en tentoon te stellen die de nationale kunstscènes vertegenwoordigen, zoals nationale parlementen dat al jaren deden.

 

Met de volgende aanwinsten werd de collectie geleidelijk aan verrijkt met kunstwerken van nieuwe lidstaten. Over een periode van dertig jaar heeft het Europees Parlement representatieve moderne kunstwerken verzameld en daarbij de nadruk gelegd op jonge, veelbelovende artiesten bij het begin van hun carrière. Op dit moment bestaat de kunstcollectie van het Europees Parlement uit 387 aangekochte werken (door EU-27), 149 schenkingen en 11 permanente uitleningen. 

 

De kunstcollectie van het Europees Parlement getuigt van de ontwikkeling van de kunst in Europa en biedt een prachtige kans om de rijkdom van de cultuur van de Europese landen te leren kennen. Met zijn kunstcollectie wil het parlement het Europese artistieke en creatieve streven ondersteunen en de Europese culturele diversiteit promoten. 

 


Praktisch

TENTOONSTELLING

 

De erfenis van Karel de Grote 814-2014

Van 10 mei tot 30 november 2014 

 

Provinciaal Erfgoedcentrum

Lotharingenstraat 1

9700 Oudenaarde-Ename

Open: donderdag t.e.m. zondag van 10 tot 17 uur, dinsdag en woensdag enkel na afspraak voor groepen vanaf 20 personen

Gesloten: maandag

 

Reservatie:

pam Ename

Lijnwaadmarkt 20

9700 Oudenaarde-Ename

www.pam-ename.be

tel: +32 55 30 90 40 of reservatie.pam-ename@oost-vlaanderen.be

 

Beschermcomité:

Herman Van Rompuy, voorzitter van de Raad van Europa; Kris Peeters, Vlaams minister-president; Geert Bourgeois, Vlaams viceminister-president; Joke Schauvliege, Vlaams minister van Cultuur; Dr. Eckart Cuntz, Duits ambassadeur te Brussel; Bernard Valero, Frans ambassadeur te Brussel; Jozef Dauwe, gedeputeerde provincie Oost-Vlaanderen; Horst van Cuyck, stichter van Diomedes AG 

 

Commissaris: Dirk Callebaut

 

Concept: Bailleul Ontwerpbureau, Gent 

 

Realisatie: Provinciebestuur Oost-Vlaanderen - Provinciaal Archeologisch Museum (pam) Ename-Velzeke (conservators Marie-Claire Van der Donckt en Kurt Braeckman)

 

Praktische coördinatie expo Ename: Provinciaal Archeologisch Museum (pam) Ename

 

Educatie: Provinciaal Archeologisch Museum (pam) Ename

 

Europees project

De tentoonstelling kadert in een Europees project, “Cradles of European Culture” (CEC), dat loopt van 2010 tot 2015

 

Info over het Europees project:

www.tentoonstellingKareldeGrote2014.eu

www.cradlesec.eu  

 

 

In het kader van het CEC project, gaan er ook in 2015 tentoonstellingen door over “De Erfenis van Karel de Grote”:

  • Praag (Republiek Tsjechië) – Commissaris Jana Marikova, Institute for Archaeology of the Academy of Sciences of the Czech Republic
  • Ravenna (Italië) – Commissaris Maria Pia Guermandi, Istituto Beni Culturali Regione Emilia-Romagna
  • Marseille (Frankrijk) – Commissaris André Constant, Aix-Marseille Université – CNRS – LA3M UMR7298

 

Met de steun van het Cultuur (2007-2013) programma van de Europese Unie

 


 

Auteurs

 

De tekst werd samengesteld door Dirk Callebaut op basis van artikels voor het tentoonstellingsboek.

 

De bijdragen komen van Dominique Alibert, Raoul Bauer, Marc Boone, Marie-Hélène Corbiau, Elizabeth Den Hartog, Patrick De Rynck, Sophie De Schaepdrijver, Bruno De Wever, Elizabeth Den Hartog, Marc Dewilde, Robert Duthoy, Maria Pia Guermandi, Markus Hirte, Isabel Kappesser, Špela Karo, Timotej Knific, Véronique Lambert, Thierry Lentz, Jana Marikova, Philippe Mignot, Patrick Monsieur, Daniel Peters, Hettie Peterse, Maja Petrinec, Frank Pohle, Nina Schücker, Mechthild Schulze-Dörlamm, Ondina Taut, Kaat Teirlinck, Dries Tys, Silvia Urbini, Horst van Cuyck, Yvan Vanden Berghe, Simone Verde, Marina Vicelja, Hendrik Vos, Annemarieke Willemsen.