U bent hier

Henri Leys - Lucie Leys, dochter van de schilder

Henri Leys - Lucie Leys, dochter van de schilder
Henri Leys, (Antwerpen 1815-1869) Lucie Leys, dochter van de schilder, Olieverf op hout, 107 x 36 cm, niet gesigneerd, Koninkijk Museum Voor Schone Kunsten, Antwerpen.
 
Men kan moeilijk beweren, dat onze negentiende-eeuwse schilderkunst de hedendaagse kunstliefhebber erg zou aanspreken. Uitzonderingen als Henri de Braekeleer en James Ensor niet te na genomen, wordt het merendeel der prominenten uit die eeuw, door tijdgenoten trots als nationale helden vereerd, thans bejegend met een onverschilligheid die, helaas, niet zelden gerechtvaardigd is. Alleen in kunsthistorische handboeken wordt hun aandenken bewaard, zij het meer als kunsthistorische curiosa dan als ware exponenten van onze schilderkunstige grootheid. Een haast algemeen misprijzen treft vooral onze Romantische School, die men gemeenlijk haar grootheidswaan, breedsprakerigheid en gebrek aan oorspronkelijkheid verwijt. Ondanks al de goede bedoelingen zijn onze romantici er inderdaad nooit in geslaagd aan het onafhankelijk België van na 1830 een volwaardige schilderkunst te schenken, die de glorie van de oud-Vlaamse school op Europees niveau kon evenaren.
 
Men meende nochtans het lichtende voorbeeld van een Rubens naar de kroon te steken, maar belandde slechts in het valse pathos en de gezwollen retoriek. Het programmatisch hoera-patriottisme waarin deze generatie haar heil zocht ontlokt ons slechts een verbaasde en wat meewarige glimlach. Een criticus noemde Leys eens 'een pelgrim van het verleden', en drukte er zijn verwondering over uit, dat iemand als hij, zo begiftigd met zin voor de realiteit, terzelfdertijd helemaal kon opgaan in de sfeer van lang vervlogen tijden. Inderdaad wist Leys, meditatief van aanleg en beschikkend over een indrukwekkende eruditie, als een nauwgezet archeoloog in zijn historische taferelen bestudeerde en ingeleefde reconstructies te geven van een verleden, dat in de sfeer van het toenmalig oud-Antwerpen nog als een tastbare werkelijkheid aanwezig was. Het hoeft dan ook niet te verwonderen, dat er, zelfs waar hij het portret schildert van zijn dochter, van deze ingesteldheid één en ander beklijft. Nagenoeg honderd jaar geleden, in 1865, schilderde Leys, enkele jaren voordien om zijn schilderkunstige verdiensten tot baron geadeld, en na op buitenlandse tentoonstellingen onderscheidingen te hebben behaald door zijn stadsgenoten gefêteerd, dit portret van zijn dochter Lucie.
 
Enkele jaren vroeger had hij reeds zijn zoon Julien geportretteerd; een jaar later volgden als tegenhangers het imponerende zelfportret en het zeer gevoelige portret van zijn vrouw; een waar familiealbum dat men kan bewonderen in de Leys-zaal van het Museum te Antwerpen. Alhoewel Henri Leys in het spoor van een Gustaaf Wappers debuteerde, betekent zijn werk naar de vormgeving toch een breuk met de kunst der romantici. In zijn historische taferelen verstomt allengs het wapengekletter, verdwijnt het retorische gebaar en wordt de dramatische bewogenheid opgegeven voor een beheerste, statische compositie. De op Rubens geïnspireerde bravoure-techniek verzaakte hij door het in ere herstellen van de lijn, vorm en lokaalkleur, waarbij hij aanleunde bij de techniek der Vlaamse en Duitse 'Primitieven' uit de vijftiende en zestiende eeuw.
 
Een reis in 1852-'53 in Duitsland ondernomen, waar hij o.m. Neurenberg bezocht, heet beslissend voor die ommekeer. In het portret van Lucie komt het samengaan van nauwkeurige waarneming en archaïserende vormgeving wel het meest tot uiting. Merkwaardig in dat opzicht is wel hoezeer de conceptie ervan gelijkenis vertoont met de staatsieportretten der historische personages die Leys omstreeks dezelfde tijd uitvoerde in het kader van de muurschilderingen voor de erezaal van het stadhuis te Antwerpen. De op afzonderlijke panelen uitgevoerde modellen voor die opdracht bevinden zich eveneens in het Museum te Antwerpen.
 
Ten voeten uit vóór een behang met ranken poseert ook Lucie, enigszins benepen binnen de prangende omlijsting, voor een staatsieportret. Elke onbezonnen levensdrift schijnt wel uit dit naargeestig uitziend burgermeisje geweken, in de kiem gesmoord door het zware olijfgroene kleed met breed uitstaande klokrok en het keurs waarover als een gareel een doorvlochten band van zwart fluweel loopt. Als een toonbeeld van ongenaakbare preutsheid vertolkt ze als het ware het ideaal van burgerlijk fatsoen dat eigen is aan de Victoriaanse tijd. De met enige nadrukkelijkheid in een slap handje gehouden tasje en handschoen krijgen bijna de gevoelswaarde van standsymbolen, ongeveer zoals op een gotisch bruidsportret de anjer méér is dan een willekeurige bloem, maar attribuut van de huwelijkstrouw. Waar de romantiek in menig sentimenteel vrouwenportretje een droeve mijmering om droomparadijzen in lieftalligheid doet stralen, is hier de melancholie geen poëtisch schouwspel meer, maar een bittere werkelijkheid waarin zelfs dromen geen troost meer zijn voor een hunkerende ziel.
 
Leys heeft in dit portret van zijn dochter geen vaderlijke vertedering gelegd, integendeel, hij benadert haar met de nuchtere zakelijkheid van de observator, met koele aandacht voor elk detail der fysionomie, zelfs het minst flatterende, en vooral zonder zich over te geven aan enige sentimentaliteit of glad idealiseren. Dit op het gevoelloze af zich distantiëren typeert wel Leys' kunstenaarschap en maakt er meteen ook de mindere aantrekkelijkheid van uit.
 
Zijn neef en leerling Henri de Braekeleer zou, met een nog grotere aandacht voor de tastbare werkelijkheid, juist door een intensere inlevingskracht een artistiek niveau bereiken waartoe Leys nooit is opgestegen. Deze onsentimentele instelling maakt het ook onwaarschijnlijk, dat de gevoelstoon van het portret van Lucie uitsluitend bepaald zou zijn door Leys' ontvankelijkheid voor een tijdsklimaat, laat staan dat hij er slechts een vertolking in zou hebben geleverd van zijn eigen droefgeestige natuur.
 
Neen, hoe slecht we ook ingelicht mogen zijn over de levensomstandigheden van het meisje, toch kunnen we ons indenken, dat het milieu waarin ze opgroeide niet stimulerend inwerkte op het gemoed. Op het ogenblik dat Leys haar portret schildert is ze tweeëntwintig jaar. We kennen haar als zeventienjarige door een tekening door haar neef Henri de Braekeleer gemaakt, waarop ze als vlijtig schoolmeisje bij het huiswerk is voorgesteld, een ietwat spits en schichtig kind met een pracht van een haarvlecht, waarin men nauwelijks de voortekenen kan onderkennen van de transformatie die haar in de loop van enkele jaren zal maken tot de kniezende, saaie burgerjuf van het onderhavig portret.
 
Aanvullenderwijs kunnen we even aanstippen, dat Lucie een tragisch lot ten deel zou vallen. In mei 1871 in het huwelijk getreden met Georges Lejeune, overleed ze reeds de daarop volgende maand in de leeftijd van achtentwintig jaar. Voorzeker is het portret van Lucie niet alleen een moment van kapitaal belang in het oeuvre van Henri Leys, maar ook is het een van de meest bevreemdende portretten uit de negentiende eeuw. Gemeten met de maatstaf van latere kunstopvattingen moge het verouderd en schilderkunstig niet geheel bevredigend aandoen. Daartegenover staat, dat het qua uitdrukkingswaarde zeldzaam intrigerend werkt. Mits een inspanning zal de onbevooroordeelde toeschouwer dit portret naar eigen betekenis weten te waarderen, en het erkennen als een van de uitzonderlijke kunstwerken van een periode die in menig opzicht weder te ontdekken valt.
 
Drs. J. F. Buyck,
Attaché bij het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten - Antwerpen 
 

 


Keuze uit te raadplegen Nederlandse boeken:

J. Muls, Het portret in België, van Navez tot Ensor, 1942.

A. Stubbe, De Vlaamse schilderkunst van Van Eyck tot Permeke, 1953.

Dr. W. Vanbeselaere, De Vlaamse schilderkunst van 1850 tot 1950, van Leys tot Permeke, 1961.