U bent hier

De nieuwe buren van René Magritte

Openbaar Kunstbezit Vlaanderen Abstracte kunst

 

Sinds november vorig jaar is ons land een museum rijker: het Museum voor Abstracte Kunst. Het ligt in de rustige Esseghemstraat in Jette, vlak naast het huis dat René Magritte vierentwintig jaar lang bewoonde en dat nu het René Magrittemuseum huisvest. Twee musea in dezelfde straat; weinig steden die op zoveel weelde prat kunnen gaan.

 

De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat het René Magrittemuseum en het Museum voor Abstracte Kunst zich als een Siamese tweeling tot elkaar verhouden. Beide zijn het resultaat van meer dan dertig jaar verzamelwoede van een enkele persoon: André Garitte. Gedrevenheid kenmerkt het doen en laten van elke rechtgeaarde verzamelaar. Maar bij André Garitte stelde zich een bijkomend prangend probleem. Zijn geestdrift voor René Magritte en bij uitbreiding voor het Belgische surrealisme kreeg concurrentie van een haast even dwingende passie voor abstracte kunst van eigen bodem. De aanhangers van beide kunststromingen hadden elkaar destijds vurig bekampt, met sarcasmen overladen of in het beste geval straal genegeerd. Moest een verzamelaar diezelfde partizanenwegen bewandelen? Toch niet, een verzamelaar maakt vrank en vrij zijn eigen keuzes. Daarom groeiden beide polen van de verzameling netjes naast elkaar, met – zoals in de realiteit – een aantal verrassende overlappingen.


Het René Magrittemuseum, Esseghemstraat 135, opende de deuren in 1999, jaren voor zijn grote tegenhanger aan het Koningsplein. Voor het Museum voor Abstracte Kunst was er aanvankelijk geen pasklare oplossing. Incidenteel dook de verzameling op: in het Antwerpse in een gesloten huis te bezichtigen op afspraak, via bruiklenen of enkele grote tentoonstellingen. De collectie was in de loop der jaren duidelijk salonfähig geworden; het was nog wachten op de juiste kans om haar museaal voor te stellen. De buitenkans deed zich voor wanneer het buurhuis van het René Magrittemuseum te koop werd aangeboden. Die kans wilde André Garitte niet laten ontsnappen en het pand werd aangekocht. Het burgerhuis met een uitgesproken belle-époque-uitstraling moest nu de metamorfose tot museum ondergaan. Zoals te verwachten werd het een meerjarenplan. Keer op keer ging het dossier door de administratieve mangel. Maar het jarenlang werk droeg zijn vruchten. Het prestige van het bestaande museum en de duidelijke waarde van de verzameling dwongen gaandeweg begrip af bij de overheden. Een deel van de tuin kon ingepalmd worden, de zolder zelfs tot een volwaardige verdieping uitgebouwd, met de zegen van stedenbouw en zonder overlast voor de omgeving.

 

Abstracte veelzijdigheid

Je zou het vanop het voetpad niet zeggen, maar met het nieuwe museum krijgt Magritte er een pak geburen bij. De verzameling abstracte kunst telt zowat zevenhonderdvijftig werken van om en bij de honderdvijftig kunstenaars, op enkele uitzonderingen na allemaal werk van eigen bodem. Over drie verdiepingen verspreid wordt ongeveer een derde van de collectie getoond. Variatie troef. En dat is ook de indruk die uitgaat van de gehele opstelling. Het predicaat non-figuratief kan heel wat uiteenlopende ladingen dekken, van geometrisch informeel tot gestueel lyrisch, van monumentaal tot toegepaste grafiek. Sceptici worden wellicht niet van het ene ogenblik op het andere tot aanhangers bekeerd, maar vervelen zullen zij zich niet. Daarvoor staat de gehele opstelling garant. Chronologie speelt geen doorslaggevende rol. Er wordt enkel een onderscheid gemaakt tussen de twee grote golven van de abstracte kunst. De pioniers van rond 1920 zijn te zien op de tweede verdieping; de aanhangers van de naoorlogse periode – grosso modo de jaren vijftig en zestig – op het gelijkvloers en op de derde verdieping. De opstelling is associatief, geconcentreerd op de werken. Het maakt niet uit of de kunstenaar die ze gemaakt heeft tot eenzelfde of juist een concurrerende groep behoord heeft, de klemtoon ligt op de uitstraling van het kunstwerk zelf: een mobiel van Pol Bury gaat de dialoog aan met een Jean Milo met korrelige structuur, de verticaliteit van een Luc Peire vindt weerklank in een reliëf van Jean Dubois. Of een werk al dan niet typerend is voor de productie van een bepaalde kunstenaar is niet relevant. Het is juist boeiend te zien hoe atypisch werk kwalitatief hoogstaand kan zijn. Dit kan bijvoorbeeld gestaafd worden aan de hand van werk van Pol Mara of Camiel Van Breedam uit de jaren vijftig. Ook de afdeling van de pioniers is niet louter een wandeling down memory lane. Het loslaten van de figuratie gebeurt langs allerhande sluipwegen van expressionisme, futurisme of kubisme. Zelfs wie nooit zuiver abstract is geweest helpt ons de periode met een frisse onbevangen blik te benaderen. Het volledig meubilair van een zitkamer uit de jaren twintig oogt als een verfrissend lichtpunt; het gaat onbevangen de dialoog aan met geometrisch abstracte werken van wat toen de Nieuwe Beelding werd genoemd. Een nieuwe overzichtelijke levensomgeving zou een nieuwe levensstijl inluiden; een net iets te optimistische inschatting, zou later blijken.


Op de hogere verdiepingen zijn ook toonkasten opgesteld. Die vitrines zijn echte schatkamers, met kleiner werk en tal van documenten; zij maken de tijdsgeest tastbaar. Zo treffen wij op de zolderverdieping een vitrine aan rond Expo 58; op de wereldtentoonstelling was abstracte kunst inderdaad alomtegenwoordig. Ernaast is er een intrigerende constructie:een trapje dat ogenschijnlijk nergens naar leidt. Te betreden door slechts een persoon tegelijk, vertelt een waarschuwingsbordje. Zoiets appelleert aan het voyeuristisch trekje dat in elk van ons schuilt en wie het trapje oploopt, wordt beloond met een uitzicht op het Atomium, ongeveer een kilometer verderop. Het is een ondubbelzinnig signaal: een abstracte constructie was het kroonstuk van Expo 58 en heeft definitief een urinerend knaapje als symbool voor Brussel overtroffen.

 

Van woning tot museum

Van de beschikbare ruimte geboden door een getransformeerde rijwoning is optimaal gebruik gemaakt. Aan de buitenkant zou je nooit verwachten dat hier voldoende plaats beschikbaar is om meer dan tweehonderd kunstwerken te tonen. Toch hebben zij ruimte genoeg om tot hun recht te komen. Uiteraard is er met plaats gewoekerd. Dankzij de uitbreiding in de tuin is er een vierkante tentoonstellingszaal ontstaan waar tijdelijke opstellingen mogelijk zijn. Momenteel is er een ensemble te zien van Francine Holley, met haar honderd jaar de nestor onder onze abstracten.


Bij de verbouwingswerken werd de traphal grotendeels ongemoeid gelaten. In al zijn banaliteit is de trap met gedraaide spijlen typerend voor de burgerlijke architectuur in het Brusselse. De muurbekleding werd wel aangepakt en opgefleurd met een doorlopende geometrische ornementering. Geen gratuite ingreep, wel de uitwerking van een motief ontworpen door Georges Vantongerloo en met de zegen van zijn erfgenamen uitgevoerd. Het is hoe dan ook een geslaagde toepassing van hetgeen de Stijlbeweging en haar aanhangers voorstonden. Door de beschildering wordt de enge ruimte opengebroken en fungeert zij als een volwaardige verbinding tussen de verdiepingen.


Het is de verdienste van de museumploeg dat zij de abstracte ornamentiek heeft doorgetrokken in andere vaste elementen, zoals de vloerbekleding met een geometrisch tegelpatroon, terwijl er voor de glazen deuren voor lineaire accenten gekozen werd. De totstandkoming van het museum is niet enkel de inspanning van een enkele persoon. Achter André Garitte staat een gemotiveerde ploeg, met de ruggensteun van de vrienden van het museum, structurele en occasionele. Zo werd er in de loop van 2019 met succes een crowdfunding georganiseerd om een ontbrekende som bij elkaar te sprokkelen die onontbeerlijk was om het museum operationeel te maken. Vlot werd het gewenste bedrag opgehaald; niet enkel een onmisbare financiële steun, maar ook een duidelijke populariteitstest.

 

Margritte en abstracten

Eigenzinnigheid en intimiteit kenmerken dit museumconcept. Dit hangt deels samen de locatie – een burgerhuis, een rijwoning – maar ook met het feit dat het om een dubbel museum gaat. Beide musea worden tegelijk bezocht; niet contradictorisch in een historisch perspectief. Magritte was bevriend met een groot aantal kunstenaars die de abstractie voorstonden. Hijzelf heeft aanvankelijk in een abstraherende stijl geschilderd, met hier en daar een uitschieter naar het non-figuratieve. En strikt genomen kan ook gesteld worden dat zijn woordschilderijen tot de abstractie kunnen gerekend worden. Haarklieverij, natuurlijk. Feit is dat de twee musea ook letterlijk communicerende vaten zijn. Op de tweede verdieping geeft een deurtje toegang tot het Magrittehuis. Dat betreed je dus niet via de voordeur, maar via de bovenverdieping. Eigenzinnig en ontegensprekelijk surrealistisch.


Beide musea lenen zich tot een rustig individueel bezoek. Omwille van de ruimtelijke beperking en de fragiliteit van de werken worden bezoekersgroepen liefst in groepjes van een twaalftal deelnemers rondgeleid. De Esseghemstraat is gelegen in een rustige woonwijk. De parkeerruimte is er omzeggens onbestaand. Dit is tot hiertoe geen belemmering geweest voor het succes van het René Magrittemuseum; aan die situatie wordt er niets veranderd. Het museum is vlot bereikbaar via het openbaar vervoer. Trams stoppen aan het kerkhof van Jette en ook diverse metrostations liggen op loopafstand. Wie toch per auto komt, kan terecht in een gloednieuwe ondergrondse parkeergarage onder het Koningin Astridplein, in rechte lijn op ongeveer een kilometer van het museum.

 

Gemiste kans voor Antwerpen

Met de nodige trots wordt het Museum voor Abstracte Kunst voorgesteld als het eerste in zijn soort in ons land. Objectief gezien is dit terecht. Er bestaan substantiële ensembles in de grote musea, maar door omstandigheden zijn de meeste ontoegankelijk, denk aan Antwerpen en Brussel. Had het een beetje meegezeten dan zou Antwerpen vandaag de primeur hebben gehad. Even het geheugen opfrissen. In 1963 komt Michel Seuphor uit Parijs zijn standaardwerk De Abstracte Schilderkunst in Vlaanderen voorstellen. Een beetje uitdagend roept hij bij die gelegenheid de stad op om het Hessenhuis – de officieuze thuishaven van de kunstenaarsgroep G 58 – in te richten als museum voor de abstracte kunst. Zijn mentor Maurits Naessens is het voorstel niet ongenegen. Jaren later, in 2001, bij de opening van de overzichtstentoonstelling over leven en werk van Michel Seuphor uitgerekend in het Hessenhuis, herinnert cultuurschepen Eric Antonis aan die belofte. Weerom valt de hint op een koude steen. Wat in Antwerpen niet mogelijk was, is nu in Jette gerealiseerd, dankzij een gedreven collectioneur, met de steun van een alerte museumploeg. En zo is het goed.

 


INFO

René Magrittemuseum - Museum voor Abstracte Kunst – Open: van woensdag t.e.m. zondag van 10 tot 18 uur – Gesloten: maandag en dinsdag – Prijs € 10 en € 8 – Esseghemstraat 137, 1090 Brussel – T 02 428 26 26

www.magrittemuseum.be

Catalogus: Abstracte Veelzijdigheid, uitgave MRM, 2019, 166 blz.


ARCHIEF

www.tento.be/archief


 

Meer lezen?