U bent hier

Suske en Wiske - Natuurlijk kunstzinnig

Willy Vandersteen De avonturen van Suske en Wiske, Het Spaanse Spook (voorpublicatie in Kuifje 1948-1950) Lambik en de burgemeester van Kriekebeek onderweg © DE STANDAARD UITGEVERIJ 2020

 

Het is nu al 75 jaar geleden dat Suske en Wiske hun vrolijke avonturen zijn begonnen. In tegenstelling tot hun vijftien jaar oudere vakgenoot Kuifje zijn zij niet bedolven onder talloze, soms vergezochte, studies. Toch is het niet moeilijk op zoek te gaan naar de tekenaar achter de papieren schermen. Veel meer dan zijn gereserveerde collega Hergé is de Antwerpse uitbundige Willy Vandersteen (1913-1990) tussen de regels te lezen in de stripavonturen van zijn oogappels. Twee elementen worden hier onder de loep genomen, namelijk zijn liefde voor het Kempische platteland en zijn interesse in kunst. Als scout leert Willy Vandersteen de natuur kennen in de Antwerpse rand en de Antwerpse Kempen. Zijn waardering voor Vlaamse kunst gaat terug op zijn periode als medewerker in het beeldhouwersatelier van zijn vader Francis.

 

Op stap in de Antwerpse Kempen

De Antwerpse Kempen zijn al meteen aanwezig in het eerste avontuur dat op 30 maart 1945 van start gaat in de Vlaamse krant De Nieuwe Standaard. Na zijn overwinning in een bokswedstrijd verblijft Rikki met zijn jongere zusje Wiske en tante Sidonie in zijn buitenverblijf in de Kempen. De eerste strook toont de Kempen zoals Vandersteen ze zich graag voorstelt. Het is een vlak graslandschap met aan de horizon enkele kleine schamele hoeves, een molen en wat eenzame bomen of een hooimijt. Tegen een egale hemel klimt een stevige formatie van cumuluswolken gestaag naar boven. Het gaat hier meer bepaald om de cumulus congestus, de sterk opbollende stapelwolk. Uiteraard mogen in de Kempen de dennenbomen niet ontbreken. Vaak zijn het zwarte silhouetten tegen een egale lucht.

 

Voor de creatie van dit archetypische Kempenlandschap laat Vandersteen zich inspireren door de gekende etsen van Dirk Baksteen (1886-1971). In 1912 wijken de Rotterdamse broers Dirk en Gerard Baksteen uit naar Antwerpen. In Mol gaat Dirk in de leer bij de bekende schilder Jakob Smits (1855-1928), evenals hij van Rotterdamse origine. Al snel voelt hij zich meer aangetrokken tot de etskunst. Hij vereeuwigt in zijn fijnzinnige landschapjes keer op keer de Kempische hoevetjes met enkele kale bomen. Zijn betaalbare etsen genieten een grote populariteit in Vlaanderen en scheppen voorgoed het mythische beeld van de schrale, ingetogen Kempen. Ook Vandersteen valt voor hun charme.

 

We krijgen het buitenverblijf van Rikki dan wel niet te zien, maar het is duidelijk dat de Kempen een aangename streek is om tot rust te komen. Een fikse wandeling of een kampeertocht zijn voor Suske en Wiske, net als voor zovele Sinjoren, de ideale uitstap. Voor arbeiders en bedienden die sinds 1936 genieten van zes dagen betaalde vakantie, is een buitenlandse reis niet meteen weggelegd. Men gebruikt de dagen en de centjes eerder voor de renovatie van de eigen woonst of voor een uitstapje in het nabije platteland. Welstellende Antwerpse burgers hadden reeds sinds eind negentiende eeuw hun fraaie villa in de landelijke buitengemeenten van de Scheldestad. Zij vermeien ook graag in de zonnige Antwerpse Kempen. Twee generaties later volgt de gewone werkmens hen naar die stille Kempen, uiteraard zonder peperdure wagen. Met de fiets is een Sinjoor al gauw in een rustige groene omgeving, ver van de drukte van de stad. Bij Vandersteen gaat het romantische beeld van de Limburgse Kempen dat van de Antwerpse Kempen kleuren. Dit ongerepte landelijke Vlaanderen zal vanaf de jaren 1950 verdwijnen onder lintbebouwing en beton. In De Tuftuf Klub 1951) dat zich in het jaar 1851 afspeelt, wijst Vandersteen vooruit naar de almacht van Koning Auto die onder het mom van vooruitgang een razendsnelle beschaving brengt. Met zijn idyllische visie op het mythische Vlaanderenland van Bruegel en Tijl Uilenspiegel sluit de tekenaar naadloos aan bij de heimatliteratuur van Streuvels, Timmermans en Claes die zijn hoogdagen kende in zijn jeugdjaren. Hier staat het authentieke dorpsleven in schril contrast met de grote boze stad vol winstbejag en haast.

 

Wanneer Suske en Wiske met de Gyronef over Vlaanderen vliegen, ontvouwt zich een uitgestrekt landschap met weiden als wiegende zeeën. Autosnelwegen en druk bevolkte steden blijven uit het plaatje. Het viertal wandelt liefst over verharde aarden wegen, hoogstens omzoomd door houten elektriciteitspalen, maar zeker met een fraai uitzicht op akkers, weiden en bosjes. Een hoeve, dorpskerkje of molen vervolledigen het beeld. Tekenend voor Vandersteens hechte band met zijn Vlaanderenland is wel dat Suske en Wiske spreken over Vlaanderen als hun vaderland. België komt maar mondjesmaat ter sprake.

 

In 1945 wonen tante Sidonie, haar nichtje Wiske en adoptiefkind Suske in het Antwerpse stadscentrum. Een jaar later ruilen zij haast ongemerkt hun stadswoning in voor een houten huis in de Antwerpse rand. Ook professor Barabas verhuist gelijktijdig naar deze anonieme landelijke buitengemeente. Suske en Wiske vertrekken evenwel nog steeds vanuit de grote stad op buitenlands avontuur en keren hier ook terug.

 

Deze plotse verhuis van onze Antwerpse familie is mogelijk verbonden met de verhuis van het gezin van Willy Vandersteen naar het Brusselse in mei 1944. Reeds tijdens de oorlog spoorde Vandersteen dagelijks naar Brussel voor zijn saaie kantoorbaan bij de Nationale Landbouw- en Voedingscorporatie. Hij was dus bekend met de drukke hoofdstad. Mogelijk mist hij in Brussel het buitenleven van de Antwerpse rand en gunt hij Suske en Wiske wel die gezonde buitenlucht in de landelijke woning van tante Sidonie. In 1966 laat Vandersteen het drukke Brussel achter zich en verhuist naar een riante villa in Kalmthout. De cirkel is rond. Ruisende dennen en kwetterende vogeltjes omringen de tekenaar en zijn medewerkers in de Studio Vandersteen.

 

Van Bruegel tot Magritte, en terug

Als onervaren striptekenaar kijkt Vandersteen gretig naar Amerikaanse strips om zijn eigen stijl vorm te geven. Maar ook de oude en recente beeldende kunst kruidt de avonturen van Suske en Wiske. Een drietal manieren van ontlening tekenen zich af. Allereerst documenteert Vandersteen zich. Zeker voor de verhalen die zich in het verleden afspelen, dient hij in de boeken te duiken. Soms schuilt het in een klein detail. Zo treft men in De Bokkerijder uit 1948 een wel heel precies getekend beeldje van Sint-Barbara aan. De heilige martelares is de patrones van de moeder van Johan Matheus Lambik, een voorvader van Lambik anno 1772. De silveren beeltenisse van de Heilige Barbara lijkt sprekend op het laatgotische beeld in de Sint-Monulphus- en Gondulphuskerk van het Limburgse Achel. Het is niet toevallig dat Vandersteen zijn oog liet vallen op een Limburgse Barbara. Mogelijk stoot hij tijdens zijn voorbereiding voor dit Limburgse avontuur op een afbeelding van deze fraaie sculptuur.

 

Naast een rechtstreekse overname van een kunstvoorwerp laat Vandersteen zich ook inspireren door Vlaamse meesters. Zijn grote lieveling is Pieter Bruegel die met zijn schilderijen en gravures meermaals in Suske en Wiske opduikt. Een eerste keer tekent hij present in Suske en Wiske op het eiland Amoras (1945-1946). Het hoofdstadje van Amoras – gesticht in 1541 – herinnert dan weer sterk aan de fictieve stadswijk Oud Antwerpen op de Wereldtentoonstelling te Antwerpen van 1894. Enkele jaren later debuteert Vandersteen in het weekblad Tintin/Kuifje met Het Spaanse Spook (1948). Hier is het werk van Bruegel op talloze plaatjes te vinden, soms gemakkelijk te herkennen, nog vaker verborgen in een motief. Maar ook de Antwerpse grootmeester Peter Paul Rubens steekt hier een handje toe met zijn schilderij De verloren zoon uit het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen.

 

Vandersteen, die een uitgesproken voorliefde koestert voor het roemruchte Vlaamse verleden, en de rebelse zestiende eeuw van Bruegel in het bijzonder, kijkt ook om zich heen. En merkt de Belgische surrealist René Magritte op. Zoals de surrealisten zich laten inspireren door droombeelden, zo laat Wiske op haar beurt de surrealist Magritte haar droom vormgeven. Aan het begin van De Bokkerijder heeft zij een nachtmerrie die tante Sidonie aan de ontbijttafel verklaart. Het schilderij La Tempête uit 1944 of een gelijkaardig werk van Magritte levert het motief van de handige plant. “Dat was nu komiek, zie!,” besluit Wiske.

 

Vanzelfsprekend beperkt Vandersteen zich niet uitsluitend tot de Belgische kunst. Van zodra Suske en Wiske in een buitenlands verleden duiken, begint Vandersteen zich te documenteren. In de eerste avonturen laat hij zijn fantasie nog volop de vrije loop. Eens hij in 1948 voor het weekblad Kuifje aan de slag gaat, kijkt hij nog meer op naar de beroepsernst van Hergé. De decors en attributen winnen aan historische geloofwaardigheid. Maar ook befaamde kunstwerken inspireren al eens voor de creatie van een figuur. Een treffend voorbeeld is wel de slanke Diana in De Mottenvanger (1948-1950). Bij haar eerste verschijning blijft Vandersteen trouw aan het wereldberoemde antieke beeld. Al gauw komt er echter meer vaart in het figuurtje en zet hij de dame naar zijn hand.

 

Tot slot is er nog de persoonlijke kijk van Vandersteen op de kunstenaar. Hier en daar, haast terloops, blijkt dat Vandersteen een voorkeur heeft voor oerdegelijk vakmanschap. Zijn traditionele visie wortelt in zijn eerste beroepsjaren aan de zijde van zijn vader. Samen met papa staat hij op stellingen te werken aan fraaie gevels en interieurs van Antwerpse huizen. Vader Vandersteen werkte aanvankelijk voor de Antwerpse ornamentbeeldhouwer Karel-Jan Kerckx, zoon van de vermaarde Sieraad-Beeldhouwer Jan Baptist Kerckx (1853- 1915). In 1934 neemt hij de zaak van de Gebroeders Kerckx aan de Mechelsesteenweg in Antwerpen over. De liefde voor een zwierig ornament openbaart zich vooral in krullerige titelbanderollen en decoratieve omlijstingen. De elegante zwier van een laatgotisch bladornament zindert ook na in de virtuoze tekening van het witte laken van het Spaanse spook. Zeker in het tekenwerk van gewaden komt de ornamentist in Vandersteen naar boven.

 

In De Sterrenplukkers (1952) schuilt een herinnering aan de beeldhouwerszaak van zijn vader. Samen met tante Sidonie belanden Suske en Wiske in het voormalige atelier van beeldhouwer Klosjar. En het respect voor degelijk ambachtelijk vakmanschap spreekt duidelijk uit de gloedvolle woorden van de beeldsnijder Holzmaai in De Ringelingschat (1951).

 

Maar wat denkt vakman Vandersteen van de eigentijdse kunst? In een interview uit 1977 formuleert hij het aldus: “Nu vinden ze dat het niet meer nodig is; je kunt kunstenaar worden zonder enige opleiding: ze kladden er maar wat op los en dat heet dan kunst. Een vakman moet een basis hebben, namelijk een volledige academische opleiding.” Tegenover zijn bewondering voor de traditionele ambachtelijke kunstenaar, staat zijn al even traditionele visie op de eigentijdse abstracte ‘kladschilder’ en diens moderne geklieder. Dit blijkt reeds uit De sterrenplukkers anno 1952. Klach … Klach … Kunst!!!

 

Gifts for Runners

Frank Huygens

Na een academische en museale carrière van 25 jaar, vestigt kunsthistoricus Frank Huygens (°Brussel 1966) zich als zelfstandig onderzoeker-curator-auteur. Hij onderzoekt en verhaalt via curieuze tentoonstellingen, publicaties op papier en online, pittoreske rondleidingen in de Maasvallei en geanimeerde lezingen. In het bijzonder verdiept hij zich in toegepaste kunsten, interieur en design na 1750, West-Europese keramiek na 1850, Belgische landschapschilderkunst van Bruegel tot nu, en in stripverhaal en illustratie, van Brussel tot New York. www.fourneau-de-monia.eu

Meer lezen?